De vraag wanneer alimentatie voor een kind “eindigt”, duikt in de praktijk vaak op zodra een kind meerderjarig wordt of wanneer een meerderjarig kind een eigen inkomen lijkt te hebben. Het arrest van het Hof van Beroep Gent van 2 juni 2026 biedt daarbij bijzonder bruikbare houvast, omdat het expliciet ingaat op (i) het voortduren van de onderhoudsplicht na de meerderjarigheid bij voortgezette studies en (ii) de verhouding tussen onderhoudsplicht en leefloon (OCMW). Het arrest is raadpleegbaar via Juportal: ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260602.1.
Het hof vertrekt van het basisprincipe dat ouders, naar evenredigheid van hun middelen, moeten zorgen voor onder meer de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Cruciaal is dat deze verplichting, wanneer de opleiding niet voltooid is, doorloopt na de meerderjarigheid (zoals het hof verwijst naar artikel 203, § 1 oud BW). De onderhoudsverplichting raakt bovendien de openbare orde en bestaat krachtens de wet zelf. Dat betekent dat de discussie over het “eindpunt” van alimentatie voor een meerderjarig kind in essentie altijd neerkomt op een concrete beoordeling: studeert het kind nog op een normale manier, heeft het al een einddiploma, en zijn er relevante eigen inkomsten of andere omstandigheden die de draagwijdte van de onderhoudsplicht beïnvloeden?
In het arrest benadrukt het hof dat het voortduren van de onderhoudsplicht na de meerderjarigheid in het algemeen afhankelijk is van meerdere voorwaarden die in de rechtspraak en rechtsleer klassiek terugkeren. Het hof somt illustratief op dat de studies een normale voortgang moeten kennen, dat de plicht in principe vervalt bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs, dat eigen inkomsten van het kind in rekening moeten worden gebracht, dat er rekening kan worden gehouden met prioritaire onderhoudsaanspraken binnen het huwelijk, en dat er geen verplichting is om bij te dragen in niet-noodzakelijke meeruitgaven. Daarmee kadert het hof duidelijk waar het in de praktijk over gaat wanneer men vraagt of alimentatie voor een meerderjarig studerend kind kan worden stopgezet: niet de leeftijd op zich is doorslaggevend, maar het realistische en ernstige karakter van het opleidingstraject, in samenhang met de concrete financiële situatie.
Het hof herneemt ook de manier waarop een onderhoudsbijdrage in principe moet worden begroot. Elke ouder draagt bij in verhouding tot zijn aandeel in de samengevoegde middelen (waarbij het hof verwijst naar artikel 203bis, § 1 oud BW). Bij de begroting moet rekening worden gehouden met onder meer de inkomsten en mogelijkheden van elke ouder, de gewone en buitengewone kosten of behoeften van het kind, de bijdrage in natura tijdens het verblijf van het kind, de kinderbijslag of toelagen in het kader van het gezinsbeleid, fiscale voordelen en eventuele inkomsten uit het genot van goederen van het kind (artikel 1321, § 2 Ger.W., zoals het hof aanhaalt). Het hof preciseert dat “middelen” ruim worden begrepen: beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten, voordelen en andere middelen die de levensstandaard waarborgen, maar ook indicaties van een hogere gegoedheid dan uit aangegeven inkomsten blijkt. In bepaalde gevallen kan zelfs rekening worden gehouden met het verdienvermogen wanneer een ouder vrijwillig minder gaat werken. De onderhoudsplicht heeft bovendien voorrang op andere lasten: vaste dagelijkse of maandelijkse uitgaven komen in principe niet in aanmerking bij het bepalen van de omvang van de onderhoudsverplichting, terwijl enkel met niet-samendrukbare uitgaven (zoals bepaalde hypothecaire lasten of fiscale schulden) rekening kan worden gehouden. Dit is relevant voor discussies over een vermindering of beëindiging van alimentatie, omdat het hof duidelijk maakt dat de onderhoudsplicht niet wordt berekend op wat een ouder “overhoudt” na eigen uitgaven, maar vanuit de wettelijke notie van middelen en prioriteiten.
De concrete kern van het geschil in dit arrest betrof de onderhoudsregeling voor een meerderjarige dochter. De eerste rechter had beslist dat de vader vanaf een bepaalde datum geen onderhoudsbijdrage of bijdrage in buitengewone kosten meer moest betalen, onder meer omdat er volgens de eerste rechter onvoldoende stukken zouden zijn om aan te tonen dat het meerderjarig kind nog regelmatig studeerde. In hoger beroep onderzoekt het hof het school- en studietraject op basis van de voorgelegde stukken. Het hof beschrijft het traject in detail en besluit dat daaruit afdoende blijkt dat het kind tot op heden, en naar te verwachten valt voor de nabije toekomst, een normaal en voltijds studietraject volgt, en dat het nog geen diploma heeft verworven dat toegang verschaft tot de arbeidsmarkt. Daarom is het meerderjarig kind volgens het hof nog steeds principieel onderhoudsgerechtigd, zodat de stopzetting van de onderhoudsbijdrage niet kan worden bevestigd. Dit deel van het arrest is belangrijk voor wie het eindpunt van alimentatie wil bepalen: de beoordeling hangt sterk af van bewijs van inschrijving, studievoortgang en het al dan niet behalen van een einddiploma dat de overgang naar de arbeidsmarkt markeert.

Opvallend en bijzonder bruikbaar voor de praktijk is wat het hof beslist over leefloon en de vraag of een meerderjarig kind daardoor niet langer onderhoudsgerechtigd zou zijn. De vader voerde aan dat het kind een eigen inkomen zou hebben, met name een leefloon, en dat dit hoger zou zijn dan bepaalde minimumkosten volgens tabellen. Het hof gaat expliciet in op de subsidiaire aard van het leefloon ten opzichte van de onderhoudsplicht. Het arrest verduidelijkt dat eerst de ouders moeten instaan voor het onderhoud van hun onderhoudsgerechtigde kinderen, en dat pas indien dat niet gebeurt en onder de geldende voorwaarden, een leefloon kan worden toegekend. Het hof merkt bovendien volledigheidshalve op dat het in de zaak ging om een leefloon als samenwonende, wat in elke hypothese impliceert dat de moeder nog kosten presteert door kost en inwoon te verschaffen, en dat de moeder ook nog toelagen in het kader van het gezinsbeleid ontving voor het kind.
Het hof koppelt dit aan de wettelijke regeling van maatschappelijke integratie. Het verwijst naar de leefloonwet en preciseert dat wie aanspraak maakt op maatschappelijke integratie onder meer moet voldoen aan de voorwaarde niet over toereikende bestaansmiddelen te beschikken, noch er aanspraak op te kunnen maken. Verder vermeldt het hof dat van de betrokkene kan worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen, waaronder de ouders, en dat het OCMW onder bepaalde voorwaarden in naam en ten voordele van de betrokkene kan optreden om die rechten te laten gelden. In dat kader wijst het hof ook op het verhaalsrecht van het OCMW op onderhoudsplichtigen binnen de wettelijke grenzen. Voor de familierechtelijke kernvraag trekt het hof daaruit echter een duidelijke conclusie: bij het begroten van de middelen van een onderhoudsgerechtigd kind wordt geen rekening gehouden met de vraag of dat kind een leefloon kan ontvangen of ontvangt. Het leefloon is inderdaad subsidiair aan de onderhoudsplicht van de ouders, zodat het hof het leefloon niet in rekening brengt bij het onderzoek of, vanaf wanneer en tot wanneer, en ten belope van welke bedragen ouders onderhoudsplichtig zijn tegenover hun kind. Om die reden gaat het hof ook niet in op de ondergeschikte vordering om via artikel 877 Ger.W. attesten omtrent leefloon bij te brengen.
Voor ouders die alimentatie willen stopzetten of beperken op basis van het argument dat het meerderjarig kind “toch leefloon krijgt”, is dit arrest dus bijzonder relevant: het hof maakt duidelijk dat de logica net omgekeerd is. De onderhoudsplicht van ouders staat voorop, en het leefloon is subsidiair. In de beoordeling van de onderhoudsgerechtigdheid en de duur van de onderhoudsplicht vormt leefloon, volgens dit arrest, geen element waarmee men de ouderlijke verplichting kan wegredeneren.
Ten slotte is het arrest ook interessant voor wie een bestaande onderhoudsregeling opnieuw wil laten beoordelen. Het hof herinnert eraan dat een eerder vastgelegde regeling opnieuw voor de rechtbank kan worden gebracht indien er sprake is van nieuwe elementen, en dat die nieuwe elementen moeten worden aangeduid. In de concrete zaak stelde het hof vast dat, los van de irrelevantie van het leefloon voor de onderhoudsbeoordeling en de vaststelling dat de studies wel degelijk regelmatig werden voortgezet, er geen andere nieuwe omstandigheden bleken die de situatie ingrijpend wijzigden sinds het eerdere vonnis waarin de onderhoudsregeling was vastgelegd. Daardoor zag het hof geen grond om via een nieuwe beoordeling de onderhoudsbijdrage te herleiden tot een symbolisch bedrag of op te heffen, en bevestigde het hof in essentie dat de bestaande onderhoudsregeling voor het meerderjarig studerend kind verder moest gelden.
Wie vandaag het eindpunt van alimentatie voor kinderen correct wil inschatten, doet er dus goed aan de focus te leggen op de criteria die dit arrest scherp stelt:
- de wettelijke onderhoudsplicht kan na 18 jaar doorlopen zolang de opleiding niet voltooid is en het studietraject normaal verloopt;
- de beoordeling gebeurt op basis van concrete stukken over het studiepad; en
- een (mogelijk) leefloon van het meerderjarig kind is subsidiair en wordt in deze redenering niet gebruikt om de onderhoudsplicht van de ouders te beperken of te beëindigen.
Bijstand nodig in uw concrete situatie? Neem contact op.