Advocaat Bart Bleyaert

Een advocaat rekent erelonen en kosten aan. Deze erelonen worden vooraf in samenspraak bepaald. In bepaalde dossiers wordt gewerkt met een forfaitair ereloon per geleverde prestatie (onderdeel van het dossier). In andere dossiers wordt een uurtarief overeengekomen afhankelijk van onder meer complexiteit en inzit. Duidelijke afspraken vermijden naderhand discussies over de factuur. Zij geven doorgaans ook aanleiding om procesbewust(er) te procederen.

Aangerekende erelonen en kosten

In principe geldt een  basisuurtarief tussen de € 80,00 en € 120,00 per uur excl. btw en dit afhankelijk van de complexiteit en/of omvang en/of de inzet van het dossier. Naast de erelonen, brengt de behandeling van een dossier uiteraard ook een aantal kosten teweeg. De kosten worden in beginsel op de volgende wijze aangerekend :

  • eenmalige consultatie : € 75,00 excl. btw,
  • opening dossier : € 50,00 excl. btw,
  • versturen van brieven en/of faxen: € 8,50 per stuk excl. btw,
  • versturen van mail: € 7,00 per stuk excl. btw,
  • versturen van multiple brieven: € 3,50 per extra bestemmeling excl. btw,
  • telefoon: € 2,50 per door de advocaat gepleegde oproep excl. btw,
  • kopies en scans: € 0,45 per pagina excl. btw,
  • financiële verrichting: € 2,50 per verrichting excl. btw,
  • kilometervergoeding: € 0,45 per kilometer excl. btw,
  • diverse kosten (gerechtskosten, aangetekende zendingen, vertalingkosten, parkingkosten…): werkelijke prijs.Een overeenkomst over erelonen en kosten biedt iedereen duidelijkheid

U wordt volgens overeenkomst een provisionele ereloonfactuur (voorschotfactuur) overgemaakt in functie van de geleverde prestaties. U krijgt steeds een gedetailleerd overzicht van de geleverde prestaties en kosten.

Uiteraard zijn voormelde tarieven indicatief en kan hiervan worden afgeweken middels onderling akkoord bij de opstart van het dossier. Ook een vooraf bepaald vast bedrag voor de integrale zaak is in bepaalde gevallen mogelijk.

Nuttig voor u? Contacteer mr. Bleyaert!

Vrije keuze van advocaat…

Sinds 1 november 2014 is de nieuwe wet betreffende de verzekeringen van 4 april 2014 (B.S. 30 april 2014) in werking getreden. Hetgeen voordient reeds diverse malen bevestigd was door onder andere het Europees Hof van Justitie, is thans ook duidelijk wettelijk verankerd.

Conform artikel 156 van deze wet moet in elke verzekeringsovereenkomst inzake rechtsbijstand uitdrukkelijk ten minste worden bepaald dat:

  1. Wanneer moet worden overgegaan tot een gerechtelijke of administratieve procedure, de verzekerde vrij is in de keuze van een advocaat of van iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft krachtens de op de procedure toepasselijke wet om de belangen te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen.
  2. Telkens er zich een belangenconflict met een verzekeraar voordoet, de verzekerde vrij is in de keuze van een advocaat of zo hij er de voorkeur aan geeft, iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft krachtens de op de procedure toepasselijke wet om zijn belangen te verdedigen.

Artikel 157 van de wet voorziet in zogenaamde objectiviteitsclausule. Conform dit artikel is de verzekerde, bij verschil van mening van zijn verzekeraar over de gedragslijn die zal worden gevolgd voor de regeling van het schadegeval en na kennisname door de verzekeraar van diens standpunt of diens weigering om de stelling van de verzekerde te volgen, het recht om een advocaat van zijn eigen keuze te raadplegen. Indien de advocaat het standpunt van de verzekeraar bevestigt, is de verzekeraar verplicht om de helft van de kosten en honoraria van de raadpleging terug te betalen. Indien tegen het advies van deze advocaat de verzekerde op zijn kosten een procedure begint en een beter resultaat bekomt dan hetgeen hij zou hebben bekomen indien hij het standpunt van de verzekeraar zou hebben gevolgd, is de verzekeraar die de stelling van de verzekerde niet heeft willen volgen gehouden zijn dekking te verlenen en de kosten van de raadpleging terug te betalen die ten laste van de verzekerde zouden zijn gebleven. Tot slot voorziet de wet dat indien de geraadpleegde advocaat de stelling van de verzekerde bevestigd, de verzekeraar ertoe gehouden is de dekking te verlenen met inbegrip van alle kosten en honoraria van de raadpleging.

… van zodra de advocaat wordt gevraagd de belangen van de rechtzoekende in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen ?

In het arrest van de Achtste Kamer van het Europees Hof voor Justitie van 7 november 2013 (C-442/12) oordeelde het Hof dat een restrictieve uitlegging van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 (en dus een beperking van de vrije keuze van advocaat) niet kan worden aanvaard.

Voor de uitlegging van deze bepaling moet volgens het Hof niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft.

In dat verband wordt opgemerkt dat blijkens zowel de elfde overweging van de considerans van richtlijn 87/344 als artikel 4, lid 1, ervan het belang van de voor rechtsbijstand verzekerde inhoudt dat deze in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures zelf zijn advocaat moet kunnen kiezen (…). Hieruit vloeit voort dat de vrije advocaatkeuze van de verzekeringnemer niet kan worden beperkt tot de situaties waarin de verzekeraar besluit dat een externe rechtsbijstandverlener in de arm moet worden genomen.

Dus moet voormeld artikel worden uitgelegd dat de Europese (bindende) richtlijn zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.

Bovendien moet tevens worden verwijzen naar het arrest van de Derde Kamer van het Europese Hof van Justitie dd. 14.05.2020 (C-667/18): het arrest doet een duidelijke uitspraak over het algemeen beginsel van de vrije keuze van advocaat binnen een rechtsbijstandscontract.

Zo stelt het Hof in zijn punt 29: “Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie opmerkt, omvat de term “procedure” dus niet alleen de fase van het beroep voor een gerecht in eigenlijke zin, maar ook de fase die daaraan voorafgaat en tot een gerechtelijke fase kan leiden.”, en in punt 31: “Hieruit volgt dat het begrip “gerechtelijke procedure” niet kan worden beperkt tot uitsluitend niet-administratieve procedures voor een gerecht in eigenlijke zin, en ook niet door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een dergelijke procedure. Elke fase die kan leiden tot een procedure voor een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, moet dus worden geacht onder het begrip “gerechtelijke procedure” in de zin van artikel 201 van Richtlijn 2009/138 te vallen”.

Dit betekent dat de door de rechtsbijstandsverzekeraars verdedigde en toegepaste stelling volgens dewelke de vrije keuze van advocaat door de verzekerde slechts zou kunnen worden ingeroepen op het ogenblik dat een gerechtelijke procedure sensu stricto moet worden gevoerd en niet in de voorbereidende fase van pogingen tot minnelijke regeling of onderhandelingen, uitdrukkelijk verworpen wordt.

Over de rechtsplegingsvergoeding als tussenkomst in de advocaatkosten van de verliezer

Sinds 1 januari 2008 heeft een winnende partij in een proces het recht om (een deel van) het ereloon en de kosten van zijn advocaat te laten vergoeden door de verliezende partij (= ‘verhaalbaarheid van de erelonen’).

Deze tussenkomst is forfaitair. Het is de rechter die het precieze bedrag zal bepalen. Het bedrag, zowel het basisbedrag als het minimum- en het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding staat in het KB van 26 oktober 2007.

In beginsel kent de rechter het basisbedrag toe. Als minstens één van de partijen hierom vraagt, kan de rechter, op basis van vier in de wet opgesomde gronden, het basisbedrag verlagen of verhogen binnen de grenzen van het minimum en het maximum. De rechter moet zijn beslissing in geval van verhoging of verlaging van het basisbedrag motiveren.

Aangaande het BTW-component

Bovendien heeft de advocaat enkel een contractuele band heeft met de cliënt (verzekerde) en dat hij dus de cliënt moet aanspreken voor de betaling van zijn ereloonfactuur. De omstandigheid dat een derde partij (de rechtsbijstandsverzekeraar) de advocaatkosten draagt, is op zich niet relevant. De factuur van de advocaat moet aldus worden uitgereikt op naam en voor rekening van de verzekerde, maar kan worden overgemaakt aan de derde betaler met oog op effectieve betaling.

De btw-administratie laat echter toe dat de verzekeringsnemer (vennootschap of werkgever) de door de advocaat aan de verzekerde aangerekende btw volgens de normale regels (geheel of gedeeltelijk) in aftrek mag brengen voor zover de verzekerde niet de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met volledig recht op aftrek. De verzekerde dient in dat geval een afschrift van de factuur te overhandigen aan de verzekeringsnemer.

Opdat de verzekeringsnemer (vennootschap of werkgever) zijn recht op aftrek kan uitoefenen, dient deze een stuk op te stellen en daaraan het afschrift van de originele factuur (gericht aan de verzekerde) te hechten. Op dit stuk moet volgende vermelding aangebracht worden: ‘Recht op aftrek toegestaan aan de verzekeringsnemer. Verzekerde heeft niet de hoedanigheid van belastingplichtige met volledig recht op aftrek. Beslissing E.T.126.564/2 van 23.09.2016’. Op basis van dit stuk kan de vennootschap of werkgever de btw recupereren in de periodieke btw-aangifte.