fbpx

Contacteer Mr. Bleyaert

Blog

30.01.2020 – Rijverbod “alle” motorvoertuigen?

30/01/2020

Tal van inbreuken op de wegverkeerswet en wegcode kunnen worden bestraft met een rijverbod van (doorgaans) acht dagen tot vijf jaar. Artikel 38 Wegverkeerswet bepaalt dat het desgevallend gaat over een “verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig“. Daarenboven kan, en in bepaalde gevallen moet, de rechter het herstel in dat recht tot sturen afhankelijk maken van proeven. Deze proeven kunnen onder meer zijn: een theoretisch of praktisch examen en/of een medisch of psychologisch onderzoek.

Wegverkeerswet

Als er geen examens of onderzoeken worden opgelegd, kan de rechtbank het verval beperken tot een weekendverval (art. 38 §3 Wegverkeerswet) of “het verval van het recht tot sturen beperken tot de categorieën van voertuigen die hij aangeeft overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26 (art. 45 Wegverkeerswet). Voormeld artikel 26 Wegverkeerswet stipuleert: “De Koning bepaalt het model van het Belgisch rijbewijs en van het als zodanig geldend bewijs, de categorieën van voertuigen waarvoor ze afgegeven worden, alsook de voorschriften betreffende de afgifte, de geldigheid, de vernieuwing, de vervanging en de teruggave ervan“.

Correctionele Rechtbank

Voor de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, werd op 6 september 2019 een persoon veroordeeld wegens het besturen van een bromfiets klasse A zonder met een goed gevolg de proeven te hebben afgelegd die hem werden opgelegd ingevolge twee eerdere vonnissen die telkens het herstel van het verval van het recht tot sturen hadden afhankelijk gemaakt van het met goed gevolg afleggen van proeven. De rechtbank oordeelde dat de betrokkene niet hersteld was van het recht tot sturen van enig motorvoertuig, aangezien de proeven nog niet met een goed gevolg werden afgelegd.

Hof van Cassatie

Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 21.01.2020 (P.19.0981.N, www.cass.be) verwees het Hof naar artikel 47 Wegverkeerswet, dat bepaalt dat “hij die verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en onderworpen werd aan een theoretisch, praktisch, geneeskundig of psychologisch onderzoek, mag, wanneer het verval geëindigd is, een voertuig van een der categorieën waarop de beslissing van vervallenverklaring slaat, slechts besturen mits hij met goed gevolg het opgelegd onderzoek heeft ondergaan“.

uitnodiging tot het aanduiden van de examencentra voor herstelonderzoeken met oog op het herstel in het recht om een motorvoertuig te besturen

Het Hof verduidelijkt dat deze bepaling, wat haar toepassingsgebied betreft, weliswaar in algemene bewoordingen is uitgedrukt, maar uit de doelstelling van de proeven, namelijk de samenleving te beveiligen, alsook het verband tussen die proeven en de regeling van de voorwaarden voor het verkrijgen van een rijbewijs, volgt dat het in de artikelen 47 en 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet vervatte strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om na het verstrijken van een tijdelijke vervallenverklaring een motorvoertuig te besturen zonder eerst met goed gevolg de opgelegde proeven te hebben ondergaan, niet van toepassing is op die motorvoertuigen waarvoor de bestuurder ontslagen is van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs.

Conclusie

Dit impliceert dat de bestuurders van bromfietsen met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 km/uur, na een eerdere veroordeling door een rechtbank waarbij zij een rijverbod opgelegd kregen en waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in herstelproeven, volgens het Hof van Cassatie niet strafbaar zijn als de duurtijd van het verval werd ondergaan en zij géén proeven hebben afgelegd om hersteld te worden in het recht tot sturen, “aangezien deze bromfietsbestuurders ontslagen zijn van de verplichting om houder te zijn van een rijbewijs voor een dergelijke bromfiets”.

Wellicht geldt op basis van dit arrest hetzelfde voor onder meer de bestuurders van voertuigen van de categorie AM die geboren zijn vóór 15 februari 1961, bestuurders van (bepaalde?) elektrische fietsen en bepaalde bestuurders die over een gelijkgesteld rijbewijs cat. G beschikken (artn. 4.10 en 4.12 K.B. rijbewijs).

Wel dient te worden opgemerkt dat het Hof in deze zaak enkel uitspraak deed over het besturen van voormelde bromfietstype ná het doorlopen van de duurtijd van het opgelegde rijverbod en zonder dat de opgelegde herstelexamens met goed gevolg werden ondergaan.

Of dit thans de deur op een kier zet om voor te houden dat een rijverbod voor alle motorvoertuigen tijdens de effectieve periode van het opgelegde verval niet geldt voor “alle” motorvoertuigen, maar slechts voor die motorvoertuigen waarvoor effectief een rijbewijs noodzakelijk is, (wordt/blijft) onduidelijk.

Al blijft een axioma gelden: voorkomen is in dat geval beter dan genezen….

Neem contact op voor juridische bijstand aangaande deze problematiek.

29.01.2020 – Wanneer “gebruikt” u uw gsm?

29/01/2020

Artikel 8.4 Wegcode bepaalt dat, behalve wanneer het voertuig stilstaat of geparkeerd is, de bestuurder geen “gebruik” mag maken van een draagbare telefoon die hij in de hand houdt.

Voor de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel rees de discussie over wanneer men een gsm dan werkelijk “gebruikt” in de zin van voormelde strafbare reglementaire bepaling. In de meest strikte interpretatie zou men kunnen voorhouden dat een draagbare telefoon enkel gebruikt wordt om te bellen en te sms’en. Al heeft de wetenschappelijke ontwikkeling en de evolutie in de smartphone-wereld uiteraard deze strikte interpretatie al lang ingehaald.

Bij arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2020 (P.19.1046.N, www.cass.be) wees het Hof er terecht op dat de regelgever het begrip “gebruiken maken van een draagbare telefoon die in de hand wordt gehouden” niet nader heeft gedefinieerd. Dit begrip moet bijgevolg volgens het Hof “in zijn normale betekenis” worden uitgelegd.

gsm'en achter het stuur verboden

In zijn normale betekenis houdt dit in dat dit gebruik niet wordt beperkt tot een welomschreven handeling (zoals bellen of sms’en) en dat het in de hand houden door de bestuurder van een draagbaar telefoontoestel tijdens het rijden meteen ook impliceert dat dit toestel wordt “gebruikt”.

Het legaliteitsbeginsel in strafzaken en het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet verzetten zich volgens het Hof niet tegen een dergelijke uitlegging.

Daarbij is ook het belangrijk te duiden dat de terminologie “stilstaan” of “geparkeerd” zijn, wel formeel werd gedefinieerd in de artikelen 2.22 en 2.23 van de Wegcode: een voertuig is stilstaand wanneer het niet langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken; een voertuig is geparkeerd wanneer at langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken. Met ander woorden, men blijft aan het verkeer deelnemen en is niet “stilstaand” of “geparkeerd” als men voor een rood licht staat of aanschuift in een file.

Concreet betekent dit dus dat het formeel verboden is om een gsm in de hand te houden wanneer je een voertuig bestuurt, zelfs al ben je daar niet mee aan het telefoneren. Iedere inbreuk op deze regel is strafbaar met een geldboete van € 160,00 tot € 2.000,00 (opdeciemen inbegrepen) alsook met een mogelijk rijverbod van acht dagen tot vijf jaar. Het verbod geldt wel enkel voor een draagbare telefoon….

Neem contact op voor juridische bijstand aangaande deze problematiek.

17.01.2020 – (Vennootschaps)Bestuurder pas op uw wagenpark!

17/01/2020

Bij arrest van het Hof van Cassatie van 7 januari 2020 (P.19.1123.N, www.cass.be) heeft het Hof geoordeeld dat (de bestuurder van) een vennootschap “zich moet bevinden in omstandigheden waarin het voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk zou zijn geweest om te voldoen aan de in dat verplichting” om de overtreder van een verkeersinbreuk te identificeren, vooraleer deze de vrijspraak kan genieten.

Tegenwoordig zijn heel wat voertuigen ingeschreven op naam van een vennootschap. Wat echter in de praktijk nog steeds weinig gekend is, is dat bij iedere verkeersinbreuk begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een vennootschap, voor deze vennootschap de wettelijke verplichting bestaat om indien de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, “de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen” en dit binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.

Deze verplichting geldt zowel ten aanzien van de vennootschap zelf, als ten aanzien van zijn bestuurders (voorheen “zaakvoerders”). Bovendien geldt deze verplichting ongeacht de aard van de onderliggende verkeersinbreuk en staat de inbreuk op de mededelingsplicht in beginsel volkomen los van een al dan niet aangeboden minnelijke schikking voor deze onderliggende verkeersinbreuk. Met andere woorden, zelfs als de verkeersinbreuk niet wordt betwist en de minnelijke schikking wordt betaald, dient de (bestuurder van de) vennootschap de identiteit van de overtreder kenbaar te maken.

In het voormelde arrest werd geoordeeld dat deze verplichting voortvloeit voort uit de wet, namelijk uit artikel 67ter Wegverkeerswet, en dat – letterlijk – “elkeen geacht is (dit) te kennen“. Die verplichting vloeit volgens het Hof van Cassatie niet voort uit een bericht daarover in het opgestuurde antwoordformulier, ook al heeft het ontvangen van dit formulier voor gevolg dat daaraan gevolg moet worden gegeven zoals vereist bij de voormelde wetsbepaling.

Volgens het Hof volstaat het dat de betrokkene op grond van de hem ter beschikking staande gegevens weet op welk voertuig, tijdstip, plaats en overtreding de vraag om inlichtingen betrekking heeft om voormelde termijn te laten aanvangen, zelfs al bevat de vraag om inlichtingen “onvolkomenheden” en/of is ze mondeling gesteld.

De minimale geldboete ter beteugeling van dergelijke inbreuk bedraagt, naar het oordeel van de heersende rechtspraak, € 4.000,00, onafgezien van bijdragen en kosten.

Volledigheidshalve dient overigens te worden opgemerkt dat ook voor natuurlijke personen een dergelijke verplichting bestaat indien de overtreder, die bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, niet dezelfde persoon is als de houder van de kentekenplaat. Alsdan dient de kennisgeving van de identiteit van de onmiskenbare bestuurder echter te gebeuren ” binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop de houder van de kentekenplaat kan bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten” (sic). De minimale geldboete bedraagt dan € 400,00, onafgezien van bijdragen en kosten en een mogelijk rijverbod voor de kentekenplaathouder.

Neem contact op voor juridische bijstand aangaande deze problematiek.

21.12.2019 – Recidivegevaar grond voor onmiddellijke aanhouding

21/12/2019

De wet van 29 november 2019 tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis aangaande de onmiddellijke aanhouding treedt vandaag in werking. Ingevolge deze wetswijziging kan de Rechter voortaan – nog steeds op vordering van het Openbaar Ministerie – ook diegene waarvan vermoed wordt dat “hij nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen”, onmiddellijk aanhouden. Voordien bestond deze mogelijkheid enkel bij vluchtgevaar van de veroordeelde.

Wie op het moment van zijn veroordeling niet in voorlopige hechtenis is, kan de rechtbank in principe vrij verlaten. De veroordeelde moet zich dan later bij de gevangenis aanmelden om zijn straf uit te voeren. Bij vluchtgevaar is de situatie anders: in dat geval laat de Wet op de Voorlopige Hechtenis de strafrechter voortaan toe om de veroordeelde, meteen na zijn veroordeling, onmiddellijk aan te houden. De onmiddellijke aanhouding moet door het openbaar ministerie worden gevorderd. Er moet tevens een afzonderlijk debat over plaatsvinden, meteen na de uitspraak van de straf.

Nuancering

De onmiddellijke aanhouding kan slechts worden bevolen indien de betrokkene wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel of, wegens feiten van voyeurisme, aanranding, verkrachting, zedenschennis, of prostitutie, tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel.

Mogelijks ware het aangewezen dat de wetgever aan deze bepaling nog wat sleutelt, zeker als men bijvoorbeeld denkt aan het feit dat op belaging een maximumstraf van “slechts” twee jaar staat (art. 442bis Sw.) en er aldus voor veroordeelde belagers – zelfs indien de maximumstraf zich opdringt – géén onmiddellijke aanhouding dreigt….

03.12.2019 – Een snelheidsmeter in een politievoertuig heeft niet tot doel toezicht te houden op de naleving van de Wegverkeerswet

03/12/2019

Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.12.2019 (P.19.0550.N, onuitg.) oordeelde het Hof dat een snelheidsmeter in een dienstvoertuig van de federale politie niet tot doel heeft toezicht te houden op de naleving van de Wegverkeerswet.

Hieruit vloeit voort dat de bepalingen van artikel 5.2 van de bijlage 2 (“Technische voorschriften voor de snelheidsmeters”) bij het Koninklijk Besluit van 12 oktober 2010 betreffende de goedkeuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen die gebruikt worden op toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten niet van toepassing zijn op deze snelheidsmeters.

De Politie mag aldus de snelheid van een ander voertuig vaststelling aan de hand van een (gekalibreerde) snelheidsmeter in het dienstvoertuig, zonder dat deze snelheidsmeter dient te worden voorzien van een ijkcertificaat en/of een periodieke ijking dient te doorlopen.

14.11.2019 – Toegankelijkere rechtsbijstandsverzekeraar dekt niet noodzakelijk alle advocaatkosten.

14/11/2019

Met de wet van 22 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering heeft de vorige regering gepoogd om een het onderschrijven van een ‘algemene(re)’ rechtsbijstandsverzekering ook fiscaal interessant te maken door deze aftrekbaar te maken binnen het kader van de personenbelastingen. Voortaan kunnen aldus ook bijvoorbeeld een echtscheidingsgeschil of een discussie met uw aannemer binnen de contractuele grenzen van een dergelijke polis door de verzekeraar worden genomen. In uitvoering van deze wet werd middels koninklijk besluit van 28 juni 2019 “tot uitvoering van de artikelen 8, § 2 en 11 van de wet van 22 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandverzekering” een lijst samengesteld van de bedragen die een advocaat per soort dossier maximaal in rekening vermag te brengen. Al snel rees de vraag of alle advocaten bijgevolg verplicht waren om deze tarieven te respecteren en of een advocaat een dossier mag weigeren indien deze tarieven, in het licht van het dossier, niet toereikend zou zijn.

Bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 november 2019 werd daaromtrent geoordeeld dat artikel 11 van de wet van 22 april 2019 bepaalt dat de advocaat zich ertoe kan engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning en dat hij zijn cliënt dient te informeren of hij al dan niet het engagement aangaat om die bedragen te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn. Daaruit volgt dan ook dat een advocaat zich ertoe “kan” engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning, maar daartoe niet is verplicht.

Een cliënt kan er aldus mee instemmen dat de erelonen en kosten niet worden bepaald op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning en dat de overschrijding van die bedragen, voor zover de fiscaal aftrekbare rechtsbijstandsverzekeraar tussenkomst (enkel) daartoe tussenkomst, zelf door de cliënt ten laste zouden worden genomen. Wanneer de cliënt er niet mee instemt de overschrijding van de door de Koning vastgelegde bedragen ten laste te nemen, rust op de advocaat geen verplichting om de betrokken persoon bij te staan. De weigering van een advocaat om personen bij te staan die niet ermee instemmen de overschrijding van de door de Koning vastgelegde bedragen ten laste te nemen, kan volgens het Grondwettelijk Hof weliswaar zijn economische situatie ongunstig beïnvloeden, doch dit nadeel vloeit niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit de beslissing van de advocaat om uitsluitend cliënten bij te staan die bereid zijn de overschrijding van de door de Koning vastgestelde bedragen ten laste te nemen.

In het licht van dit arrest blijft het aldus raadzaam om voorafgaandelijk goede en duidelijke afspraken te maken omtrent de erelonen en kosten die een advocaat

28.05.2019 – Resultaten haarstaalanalyse kunnen levenslang rijverbod verantwoorden

12/06/2019

Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 28 mei 2019 (nr. P.19.0121.N, www.cass.be) heeft het Hof van Cassatie een belangrijk oordeel geveld met betrekking tot het bewijs van lichamelijke of psychologische ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig.

In het arrest wordt geoordeeld dat artikel 42 Wegverkeerswet of enig uitvoeringsbesluit een haarstaalanalyse niet uitsluiten als bewijs van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig. Bovendien zijn de bepalingen inzake erkenning van laboratoria niet van toepassing op het onderzoek van een deskundige die een advies dient te verlenen over de eventuele rijgeschiktheid. De haarstaalanalyse mag aldus worden uitgevoerd in een niet-erkend laboratorium (bij gebrek aan duidelijk juridisch kader).

Het vonnis dat oordeelt dat

  • de gerechtsdeskundige zijn opdracht naar behoren heeft uitgevoerd en hierbij de argumenten van partijen heeft ontmoet,
  • de deskundige grondig alle voorhanden zijnde stukken heeft nagezien,
  • in een grondig gemotiveerd verslag een correcte analyse heeft gemaakt,
  • zich hierbij in grote mate heeft laten leiden door vaststellingen van een niet-erkend laboratorium, hetgeen zijn beoordeling en besluit echter niet in het gedrang brengt,
  • het gebrek aan juridisch kadar voor de analyse van een haarstaal geen afbreuk doet aan de overtuiging van de rechtbank

verantwoordt de beslissing tot rijongeschiktheid volgens het Hof van Cassatie op correcte wijze naar recht.

Nota bene. Ingevolge de wijziging van artikel 42 Wegverkeerswet werd het rijverbod door de Correctionele Rechtbank niet voorgoed uitgesproken, doch wel “voor een duur afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is een motorvoertuig te besturen“.

28.03.2019 – Speekselanalyse mogelijk vanaf 1 april…

28/03/2019

Sinds 1 oktober 2010 bestaat de wettelijke mogelijkheid om personen die positief resulteren ingevolge een speekseltest aan een ademanalyse te onderwerpen. Tot nu kan dit echter niet, ingevolge het uitblijven van de nodige uitvoeringsbesluiten. Deze Koninklijke Besluiten werden op 28 maart 2019 echter (eindelijk) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Vanaf 1 april 2019 kan de bloedproef na een positieve speekseltest dus ook effectief vervangen worden door een speekselanalyse. Blijkbaar zal het ‘Drug Intercept i2’ speekselafnameapparaat van OraSure Technologies daartoe worden gehanteerd, een klein instrument waarmee een speekselstaal wordt afgenomen dat later geanalyseerd kan worden door een daartoe erkend laboratorium. Deze praktische mogelijkheid komt er dus acht en een half jaar na het wettelijk kader.

De wet van 31 juli 2009, die in werking trad op 1 oktober 2010, stelde immers reeds jaren lang een “eenvoudige” procedure voorop om tot een geldig resultaat inzake vaststellingen drugs in het verkeer te komen: eerst is er de gestandaardiseerde checklist, dan de speekseltest, daarna de speekselanalyse en indien nodig, alsnog een bloedproef. Maar bij gebreke aan uitvoeringsbesluiten omtrent de speekselanalyse, werd na een positieve speekseltest dus nog steeds een bloedproef afgenomen.

Diverse advocaten poogden daaruit een procedureel element te ontwikkelen om te stellen dat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden of de bewijswaarde van het resultaat zou zijn aangetast. Het Hof van Cassatie spong echter in minstens twee arresten in de bres voor het uitblijven van een snelle wetgevende tussenkomst. Het Hof oordeelde immers dat “het feit dat een speekselanalyse niet tot een geldig resultaat kan leiden bij gebrek aan erkende controlelaboratoria, kan worden beschouwd als een onmogelijkheid om een speekselanalyse uit te voeren” zodat naar de ‘oude’ bloedproef mocht worden overgeschakeld (Cass. 24 september 2013, P.13.0928.N, www.cass.be; Cass. 20 mei 2014, P.13.1776.N, www.cass.be).

De specifieke regels met betrekking tot de afname van een bloed, de behandelingswijze voor en tijdens de analyse alsook de kennisgeving van de resultaten en de bewaring van het eventuele residu, werden dan maar geactualiseerd, met het Druguitvoeringsbesluit (Koninklijk Besluit van 27 november 2015) tot gevolg.

Al blijkt dit druguitvoeringsbesluit in de praktijk vaak meerdere dode passages te bevatten, nu de verdediging in de praktijk vaak onmogelijk kan aantonen dat – bijvoorbeeld – een bloedstaal niet correct (koel) werd bewaard, de benodigde vordering niet tijdig werd opgemaakt of de analyse niet tijdig of op een wetenschappelijk verantwoorde wijze werd uitgevoerd. Bovendien moeten eventuele vaststelbare inbreuken dan ook nog eens getoetst worden aan de Antigooncriteria van artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering én oordeelt de gevatte bodemrechter “vrij en mitsdien onaantastbaar” over de vraag of de inbreuk werd begaan en aldus de wettelijk bepaalde cut off-gehaltes werden overschreden en in aanmerking kunnen worden genomen (vgl. Cass. 30 september 2014, P.13.0294.N, www.cass.be).

Al blijft één zekerheid overeind: het aantal gevallen van vaststellingen inzake drugs in het verkeer blijft stijgen en de impact, onder meer van de strafrechtelijke gevolgen die men riskeert, wordt nog al te vaak onderschat.

Invordering van achterstallige huur: ook diligentie van de verhuurder vereist!

21/02/2019

Een extract uit een vonnis van het Vredegerecht van het Kanton Eeklo dd. 15.01.2019 (A.R. Nr. 18A619, onuitg.):

Het is te verantwoorden en normaal dat de (verhuurders) niet onmiddellijk een procedure hebben aangespannen omdat de huurder een maand niet betaalde. Na een drietal maanden is dit al moeilijker te verantwoorden. Na een zestal maanden is het niet meer te verantwoorden, temeer er in de betrokken periode van wanbetalingen zelfs geen deelbetalingen zijn verricht.

De invordering van achterstallige huur vereist aldus ook de nodige aandachtigheid in hoofde van de verhuurder, die zijn huurder niet ‘onnodig lang’ mag toestaan om “ooit wel eens” tot betaling over te gaan….

04.02.2019 – Schendt het alcoholslot het gelijkheidsbeginsel?

04/02/2019

Bij vonnis van de Elfde Kamer van de Politierechtbank West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, zetelend in strafzaken dd. 04.02.2019 werd voor het eerst getwijfeld aan het verantwoord karakter van het artikel 37/1 van de Wet betreffende de Politie over het Wegverkeer, dat een alcoholslot in bepaalde gevallen mogelijk of zelfs verplicht maakt.

Artikel 37/1, §2 van de Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën kan aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt met een alcoholslot. De beperkte geldigheid moet echter wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van het slot werd begaan.

Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever bijzondere aandacht wou besteden aan het verhinderen van professionele deklassering van houders van rijbewijzen cat. C en D: “De bedoeling van deze uitzondering is dat professionele bestuurders die houders zijn van het rijbewijs cat C of D niet disproportioneel worden gestraft voor de overtredingen die zij begingen met hun personenvoertuig” (zie Parl. St. De Kamer, DOC 54 2868/001, pagina 10).

Vastgesteld dient bijgevolg te worden dat de wettelijke bepaling ‘ruimer’ geformuleerd is dan de wezenlijke bedoeling van de wetgever, nu het uitzonderingen toestaat met betrekking tot andere voertuigcategorieën dan C en D.

Anderzijds belemmert artikel 37/1, 2, in fine Wegverkeerswet ten onrechte dat de beperkte geldigheid wel betrekking dient te hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding werd begaan, hetgeen volgens de verdediging discriminatoir is ten aanzien van alle overige bestuurders die hun voertuig van doen hebben omwille van professionele redenen.

Immers, zo wordt eenzelfde groep van overtreders (nl. zij die naar het oordeel van de Rechtbank dienen te worden onderworpen aan artikel 37/1 Wegverkeerswet én die allen hun voertuig professioneelshalve van doen hebben) naar de mening van de verdediging op een onderscheiden wijze behandeld, afhankelijk van het feit of zij beschikken over één of meerdere rijbewijscategorieën.

De Brugse afdeling van de West-Vlaamse Politierechtbank liet zich dus bij vonnis van heden verleiden om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het vonnis is, voor zover bekend, een precedent en aanleiding om verder uit te klaren of de wetgever vermocht het alcoholslot naar Belgisch recht correct zou hebben geïmplementeerd.

Open chat
1
Direct contact opnemen via WhatsApp!