fbpx

Contacteer Mr. Bleyaert

Blog

28.03.2019 – Speekselanalyse mogelijk vanaf 1 april…

28/03/2019

Sinds 1 oktober 2010 bestaat de wettelijke mogelijkheid om personen die positief resulteren ingevolge een speekseltest aan een ademanalyse te onderwerpen. Tot nu kan dit echter niet, ingevolge het uitblijven van de nodige uitvoeringsbesluiten. Deze Koninklijke Besluiten werden op 28 maart 2019 echter (eindelijk) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Vanaf 1 april 2019 kan de bloedproef na een positieve speekseltest dus ook effectief vervangen worden door een speekselanalyse. Blijkbaar zal het ‘Drug Intercept i2’ speekselafnameapparaat van OraSure Technologies daartoe worden gehanteerd, een klein instrument waarmee een speekselstaal wordt afgenomen dat later geanalyseerd kan worden door een daartoe erkend laboratorium. Deze praktische mogelijkheid komt er dus acht en een half jaar na het wettelijk kader.

De wet van 31 juli 2009, die in werking trad op 1 oktober 2010, stelde immers reeds jaren lang een “eenvoudige” procedure voorop om tot een geldig resultaat inzake vaststellingen drugs in het verkeer te komen: eerst is er de gestandaardiseerde checklist, dan de speekseltest, daarna de speekselanalyse en indien nodig, alsnog een bloedproef. Maar bij gebreke aan uitvoeringsbesluiten omtrent de speekselanalyse, werd na een positieve speekseltest dus nog steeds een bloedproef afgenomen.

Diverse advocaten poogden daaruit een procedureel element te ontwikkelen om te stellen dat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden of de bewijswaarde van het resultaat zou zijn aangetast. Het Hof van Cassatie spong echter in minstens twee arresten in de bres voor het uitblijven van een snelle wetgevende tussenkomst. Het Hof oordeelde immers dat “het feit dat een speekselanalyse niet tot een geldig resultaat kan leiden bij gebrek aan erkende controlelaboratoria, kan worden beschouwd als een onmogelijkheid om een speekselanalyse uit te voeren” zodat naar de ‘oude’ bloedproef mocht worden overgeschakeld (Cass. 24 september 2013, P.13.0928.N, www.cass.be; Cass. 20 mei 2014, P.13.1776.N, www.cass.be).

De specifieke regels met betrekking tot de afname van een bloed, de behandelingswijze voor en tijdens de analyse alsook de kennisgeving van de resultaten en de bewaring van het eventuele residu, werden dan maar geactualiseerd, met het Druguitvoeringsbesluit (Koninklijk Besluit van 27 november 2015) tot gevolg.

Al blijkt dit druguitvoeringsbesluit in de praktijk vaak meerdere dode passages te bevatten, nu de verdediging in de praktijk vaak onmogelijk kan aantonen dat – bijvoorbeeld – een bloedstaal niet correct (koel) werd bewaard, de benodigde vordering niet tijdig werd opgemaakt of de analyse niet tijdig of op een wetenschappelijk verantwoorde wijze werd uitgevoerd. Bovendien moeten eventuele vaststelbare inbreuken dan ook nog eens getoetst worden aan de Antigooncriteria van artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering én oordeelt de gevatte bodemrechter “vrij en mitsdien onaantastbaar” over de vraag of de inbreuk werd begaan en aldus de wettelijk bepaalde cut off-gehaltes werden overschreden en in aanmerking kunnen worden genomen (vgl. Cass. 30 september 2014, P.13.0294.N, www.cass.be).

Al blijft één zekerheid overeind: het aantal gevallen van vaststellingen inzake drugs in het verkeer blijft stijgen en de impact, onder meer van de strafrechtelijke gevolgen die men riskeert, wordt nog al te vaak onderschat.

Invordering van achterstallige huur: ook diligentie van de verhuurder vereist!

21/02/2019

Een extract uit een vonnis van het Vredegerecht van het Kanton Eeklo dd. 15.01.2019 (A.R. Nr. 18A619, onuitg.):

Het is te verantwoorden en normaal dat de (verhuurders) niet onmiddellijk een procedure hebben aangespannen omdat de huurder een maand niet betaalde. Na een drietal maanden is dit al moeilijker te verantwoorden. Na een zestal maanden is het niet meer te verantwoorden, temeer er in de betrokken periode van wanbetalingen zelfs geen deelbetalingen zijn verricht.

De invordering van achterstallige huur vereist aldus ook de nodige aandachtigheid in hoofde van de verhuurder, die zijn huurder niet ‘onnodig lang’ mag toestaan om “ooit wel eens” tot betaling over te gaan….

04.02.2019 – Schendt het alcoholslot het gelijkheidsbeginsel?

04/02/2019

Bij vonnis van de Elfde Kamer van de Politierechtbank West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, zetelend in strafzaken dd. 04.02.2019 werd voor het eerst getwijfeld aan het verantwoord karakter van het artikel 37/1 van de Wet betreffende de Politie over het Wegverkeer, dat een alcoholslot in bepaalde gevallen mogelijk of zelfs verplicht maakt.

Artikel 37/1, §2 van de Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën kan aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt met een alcoholslot. De beperkte geldigheid moet echter wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van het slot werd begaan.

Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever bijzondere aandacht wou besteden aan het verhinderen van professionele deklassering van houders van rijbewijzen cat. C en D: “De bedoeling van deze uitzondering is dat professionele bestuurders die houders zijn van het rijbewijs cat C of D niet disproportioneel worden gestraft voor de overtredingen die zij begingen met hun personenvoertuig” (zie Parl. St. De Kamer, DOC 54 2868/001, pagina 10).

Vastgesteld dient bijgevolg te worden dat de wettelijke bepaling ‘ruimer’ geformuleerd is dan de wezenlijke bedoeling van de wetgever, nu het uitzonderingen toestaat met betrekking tot andere voertuigcategorieën dan C en D.

Anderzijds belemmert artikel 37/1, 2, in fine Wegverkeerswet ten onrechte dat de beperkte geldigheid wel betrekking dient te hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding werd begaan, hetgeen volgens de verdediging discriminatoir is ten aanzien van alle overige bestuurders die hun voertuig van doen hebben omwille van professionele redenen.

Immers, zo wordt eenzelfde groep van overtreders (nl. zij die naar het oordeel van de Rechtbank dienen te worden onderworpen aan artikel 37/1 Wegverkeerswet én die allen hun voertuig professioneelshalve van doen hebben) naar de mening van de verdediging op een onderscheiden wijze behandeld, afhankelijk van het feit of zij beschikken over één of meerdere rijbewijscategorieën.

De Brugse afdeling van de West-Vlaamse Politierechtbank liet zich dus bij vonnis van heden verleiden om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het vonnis is, voor zover bekend, een precedent en aanleiding om verder uit te klaren of de wetgever vermocht het alcoholslot naar Belgisch recht correct zou hebben geïmplementeerd.

01.02.2019 – Procederen opnieuw goedkoper (voor wie begint/wint)

01/02/2019

Vandaag treedt de nieuwe regelgeving inzake rolrechten in werking. Belangrijkste verandering is dat de rechter in zijn eindbeslissing de partij(en) die het recht verschuldigd (is/zijn), voortaan veroordeeld tot de betaling ervan of tot betaling van hun deel erin. Het rolrecht dient dus niet langer voorgeschoten te worden door degene die de procedure aanvangt.

Voor elke zaak die op de algemene rol, in het register van de verzoekschriften of in het register van de vorderingen in kort geding wordt ingeschreven of terug ingeschreven, zijn voortaan navolgende bedragen verschuldigd, onafgezien van welke rol of de hoegrootheid van de gestelde vordering:

Rechtbank Bedrag griffierecht/rolrecht
Vredegerecht en politierechtbank € 50,00
Rechtbank van eerste aanleg en
ondernemingsrechtbank
€ 165,00
Hof van beroep € 400,00
Hof van Cassatie € 650,00

De zaken die worden geacht spoedeisend te zijn zoals bedoeld in artikel 1253ter/7 van het Gerechtelijk Wetboek zijn onderworpen aan een eenmalig recht, wanneer de nieuwe aanhangigmaking bij de familierechtbank het wijzigen van een vordering waarover deze zich al heeft uitgesproken, tot doel heeft. Dit stelsel wordt uitgebreid tot de maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag uitgesproken door de jeugdrechtbank, waarvan de wijziging wordt gevraagd voor de familierechtbank.

Het recht is volledig verschuldigd door de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen, behalve indien:

  1. de verweerder in het ongelijk wordt gesteld, zodat het recht volledig verschuldigd is door de verweerder;
  2. de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, zodat het recht gedeeltelijk door elk van de partijen verschuldigd is, volgens de beslissing van de rechter.

Het recht wordt opeisbaar op de datum van de veroordeling. Wie het rolrecht niet betaalt, een administratieve boete krijgt van minimaal 25 euro en maximaal 50% van het rolrecht.

In geval de zaak op de rol wordt doorgehaald of van de rol wordt weggelaten bij toepassing van artikel 730 van het Gerechtelijk Wetboek, is het recht vanaf de datum van de doorhaling of van de weglating opeisbaar ten laste van de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het inleiden van een juridische procedure aldus niet ‘helemaal kosteloos‘ wordt. Voor zaken ingeleid middels verzoekschrift, blijft immers de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor Tweedelijnsbijstand (€ 20,00) verschuldigd. Bij dagvaarding zijn nog steeds de BTW, registratierechten, pleitzegels en voornoemde bijdrage voor het begrotingsfonds verschuldigd.

23.01.2019 – Herleiding van GAS-boetes voor foutief parkeren mogelijk volgens het Grondwettelijk Hof

24/01/2019

Bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2019 (nr. 2019-008, www.const-court.be) besliste het Hof dat artikel 31, § 1, derde en vierde lid, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke  administratieve  sancties, in  de  interpretatie  dat  de  politierechter  een  administratieve geldboete niet kan verminderen tot onder het wettelijk vastgestelde bedrag om rekening te houden met verzachtende omstandigheden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Dezelfde  bepaling,  in  de  interpretatie  dat  de  politierechter  een administratieve geldboete kan verminderen tot onder het wettelijk vastgestelde bedrag om rekening te houden met verzachtende omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Het is naar het oordeel van het Grondwettelijk Hof immers niet redelijkerwijs verantwoord de persoon aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, de maatregel te ontzeggen die de politierechter in staat zou stellen rekening te houden met verzachtende omstandigheden, waardoor het bedrag van de geldboete kan worden verminderd tot onder het wettelijk vastgestelde bedrag, terwijl die persoon de toepassing van artikel 29, § 1, eerste lid, van de Wegverkeerswet zou kunnen genieten indien hij voor dezelfde feiten voor de politierechter in een strafprocedure zou verschijnen.

De overtreder, in geval van een administratieve geldboete, kan overeenkomstig artikel 31 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sanctie een beroep instellen bij geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na kennisgeving van de beslissing. De erelonen en kosten van de advocaat die u desgevallend bijstaat, kunnen mogelijks – afhankelijk van de onderschreven overeenkomst – ten laste worden genomen door de rechtsbijstandsverzekeraar van het betrokken voertuig.

10.12.2018 – 70 Jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

10/12/2018

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een verklaring die is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (A/RES/217, 10 december 1948), om de basisrechten van de mens (essentiële grondrechten) te omschrijven. Deze verklaring is tot op heden, zeventig jaar na aanname, van grote betekenis als algemene morele en juridische standaard en een veel gebezigde bron in het kader van nieuwe internationale verdragen of nationale (grond-)wetten. Het blijft de bakermat van mensenrechtenactivisten en –organisaties.

21.06.2018 – Forfaitaire bijdragen voor pro deo bijstand vernietigd

21/06/2018

Bij arrest nr. 2018/077 van het Grondwettelijk Hof dd. 21.06.2018 heeft het Hof artikel 508/17 van het Gerechtelijk Wetboek gedeeltelijk vernietigd en letterlijk gesteld dat de verplichting om aan de advocaat forfaitaire bijdragen te betalen, een aanzienlijke vermindering van de bescherming van het recht op juridische bijstand vormt zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet. Dergelijke vermindering wordt niet door een reden van algemeen belang verantwoord. De geïnde bijdragen blijven rechtsgeldig voor zaken waarin de advocaat uiterlijk op 31 augustus 2018 verslag heeft uitgebracht aan het Bureau voor Juridische Bijstand.

Sinds de wet van 6 juli 2016 diende een rechtszoekende die beroep wou doen op een advocaat ‘pro deo’ zélf een, volgens de wetgever bescheiden, bijdrage te leveren ter financiering van deze kosteloze juridische bijstand. Deze bijdrage, opgesplitst in een bijdrage per aanstelling en een bijdrage per aanleg, diende – nog steeds volgens diezelfde wetgever – onder meer om rechtszoekenden ook te responsabilisering en op zoek te gaan naar alternatieve wijzen van conflictoplossing.

Ook al heeft de wetgever de bestreden financiële bijdragen «bescheiden» of «symbolisch» genoemd, toch kan het bedrag ervan, dat tot 50 euro per bijdrage kan belopen en boven dat bedrag kan worden vermenigvuldigd volgens het aantal ingestelde procedures, volgens het Grondwettelijk Hof “aanzienlijk” worden geacht voor de rechtzoekenden die vallen onder de volledig of gedeeltelijk kosteloze juridische bijstand en die, per hypothese, slechts over weinig bestaansmiddelen beschikken. Het Grondwettelijk Hof neemt dus aan dat deze eigen bijdrage een aanzienlijke achteruitgang betekende voor de betrokken rechtzoekenden.

Bovendien staat het volgens het Hof, behoudens de eerstelijnsadviezen als eerste filter en de mogelijkheid voor het Bureau voor Juridische Bijstand om kennelijk onontvankelijke of ongegronde aanvragen te weigeren, ook aan de geraadpleegde advocaat om de rechtszoekenden de raad te geven geen onnodige gerechtelijke procedures in te stellen.

Het doel dat de wetgever voor ogen had, verantwoordt volgens het Hof dan ook niet dat de wetgever het eerder geboden beschermingsniveau aanzienlijk verminderde zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan. De bepalingen met betrekking tot de inning van de forfaitaire bijdragen per aanstelling en aanleg werden aldus vernietigd. Voor alle duidelijkheid, dit is níét het geval voor de bijdrage die een rechtzoekende kan verschuldigd zijn indien hij slechts op gedeeltelijke kosteloosheid een beroep kan doen.

Teneinde de moeilijkheden te voorkomen die zijn verbonden aan de terugbetaling van de bedragen die, op grond van de gedeeltelijk vernietigde bepaling, door de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaten zijn geïnd, heeft het Hof geoordeeld dat de gevolgen van de gedeeltelijk vernietigde bepaling dienen te worden gehandhaafd ten aanzien van de bijdragen die door de advocaten zijn geïnd in de zaken waarvoor de advocaat, op 31 augustus 2018, zijn eindverslag heeft overgemaakt aan het bureau voor juridische bijstand.

11.04.2018 – Welke examens af te leggen na een rijverbod?

11/04/2018

De Wegverkeerswet verplicht de rechtbanken in bepaalde gevallen een theoretisch en/of praktisch herstelexamen te koppelen aan een op te leggen rijverbod. De vraag rijst dan ‘welke’ examens dienen te worden ondergaan om het rijbewijs terug te krijgen.

De sleutelbepaling is artikel 72, §4, tweede lid, 2° van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998, dat bepaalt dat aan “de houder van een (…) rijbewijs (…) geldig voor de categorie C1(E), C(E), D1(E) of D(E) of voor een gelijkwaardige categorie die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie A, B, B(E) of G, een rijbewijs geldig voor deze categorieën A, B, B(E) en G waarvoor het rijbewijs was geldig verklaard” wordt afgegeven.

Diegenen die dus werden veroordeeld tot het afleggen van de theoretische en/of praktische herstelexamens moeten dit doen voor de hoogste categorie waarvan ze houder waren en waarvoor ze vervallen waren van het recht tot sturen. De categorieën zijn onderverdeeld in twee groepen. Groep 1 bestaat uit de rijbewijzen AM, A1, A2, A, B, BE en G. Groep 2 bestaat uit de rijbewijzen C1(E), C(E), D1(E) en D(E). Een herstelexamen gebeurt binnen één van die groepen.

Indien de veroordeelde bijvoorbeeld vervallen is voor de categorie C waarvan hij voordien houder was en het herstelexamen enkel voor de categorie B werd afgelegd, dan mag het ter griffie neergelegde rijbewijs niet worden teruggegeven. Het neergelegde rijbewijs moet dan worden opgestuurd naar de gemeente van de veroordeelde met de vraag om een nieuw rijbewijs op te maken. Op dit nieuwe rijbewijs mogen enkel de categorieën van groep 1 waarvan betrokkene voordien houder was, worden gevalideerd. Alle andere rijbewijzen blijven ter griffie liggen tot de veroordeelde volledig is hersteld in het recht tot sturen. De veroordeelde kan zich uiteraard later nog voor deze categorieën hersteld zien door het herstelexamen af te leggen met een voertuig van de vereiste categorie van groep 2.

Indien diezelfde veroordeelde het herstelexamen aflegt voor de categorie C, dan wordt hij na een gunstig resultaat, tevens hersteld in het rijbewijs geldig voor deze categorieën A, B, B(E) en G waarvoor het rijbewijs was geldig verklaard en kan dit rijbewijs ter griffie worden afgehaald na verloop van de duurtijd van het opgelegde verval.

De Koning is bij wet gemachtigd de geldigheid van het rijbewijs te bepalen en bij uitbreiding dus in functie van de uitvoering van een uitgesproken verval van het recht tot sturen, hetgeen gebeurd is in voormelde bepaling.

Lees meer over professionele bijstand na dagvaarding voor de Politierechtbank.

15.03.2018 – Nieuwe regels inzake bestraffing alcohol in het verkeer

15/03/2018

De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid werd vandaag gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en voert retroactief vanaf 15 februari 2018 enkele wijzigingen door in de wegverkeerswet. De belangrijkste wijziging, met name de bepalingen met betrekking tot het alcoholslot, treedt in werking vanaf 1 juli 2018.

Het nieuwe artikel 37/1, §1 van de Wegverkeerswet zal vanaf 1 juli 2018 bepalen dat de Rechtbank steeds een alcoholslot moet opleggen in geval van herhaling bij alcohol met een minimale grenswaarde van 1,2 promille. Bovendien moet het verval alsdan nog steeds voldoen aan de bepaling van artikel 38, §6 van de Wegverkeerswet, hetgeen impliceert dat een minimaal verval van (afhankelijk van het aantal overtredingen) 3, 6 of 9 maanden moet worden opgelegd én dat het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet worden gemaakt van het slagen in de vier klassieke herstelproeven.

Bij een (eerste) alcoholgerelateerde inbreuk waarbij het promillegehalte van 1,8 promille overschreden zou worden, moet de rechter eveneens een alcoholslot opleggen tenzij deze uitdrukkelijk anders zou motiveren.

Tenslotte kán de Rechtbank een alcoholslot opleggen indien het nieuwe feit een alcoholemiegehalte van 0,8 promille overstijgt, in geval van dronkenschap en/of in geval van eender welke andere herhaling ten aanzien van de nieuwe alcoholgerelateerde inbreuk.

Het alcoholslot zal desgevallend beperkt kunnen worden tot bepaalde voertuigcategorieën, doch er zal steeds een beperking moeten worden opgelegd voor de categorie waarmee de inbreuk werd gepleegd.

Bovendien vormt het alcoholslot in die zin dan ook niet langer een uitzonderingsmogelijkheid op de recidiveregeling van artikel 38, §6 Wegverkeerswet.

Deze nieuwe verzwaring, gepubliceerd daags vóór de vijftigste verjaardag van de Wegverkeerswet, ligt ontegensprekelijk in de lijn van een algemene tendens om aan overtreders duidelijk te maken dat alcohol en verkeer niet samen gaan. Al lijkt het anderzijds wel erg streng om aan een overtreders met een blanco historisch palmares meteen in bepaalde gevallen een alcoholslot te móéten opleggen. Meteen rijst dan ook de juridische nieuwsgierigheid naar de inventiviteit van de diverse rechters om ‘uitdrukkelijk anders te motiveren’ en in bepaalde gevallen aldus geen alcoholslot op te leggen, daar waar wettelijk in beginsel de verplichting geldt.

Wordt vervolgd, no pun intended.

(Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, B.S. 15 maart 2018, p. 23236-23241.)

Lees hier meer over de voordelen van professionele bijstand bij inbreuken inzake wegverkeer.

22.02.2018 – Dagvaarding na betaling boete zonder mededeling? Praktisch ja, wettelijk verankerd allicht niet.

22/02/2018

Een onmiddellijke inning na een verkeersinbreuk (“boete”) wordt aangeboden ingevolge artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer.

Het Koninklijk Besluit stelt aan de betaling met overschrijving navolgende voorwaarden:

art. 12.1.1.1. K.B. 19.04.2014: “De betaling met overschrijving wordt uitgevoerd binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de verzending van de documenten bedoeld in artikel 11 van dit besluit”.

art. 12.1.1.2. K.B. 19.04.2014: “De datum van betaling door de bankinstelling dient als bewijs van de datum van betaling”.

Door betaling van deze som vervalt de strafvordering, tenzij het Openbaar Ministerie binnen een maand te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen die vordering in te stellen en dit bij een ter post aangetekend schrijven (artikel 65 §2 K.B. 16.03.1968).

Thans is de opvatting in de heersende rechtspraak dat een betaling van voormelde ‘boete’ zonder gestructureerde referentie ertoe leidt dat deze betaling niet kan worden gekoppeld aan de verkeersinbreuk en derhalve de strafvordering niet vervallen is door voormelde betaling. Een betaling mét vermelding van de correcte gestructureerde referentie zou aldus volgens die stelling de enige betaling zijn die de strafvordering kan laten vervallen. Los van het feit dat dergelijke vooropstelling vanuit praktisch oogpunt allicht een must is, lijkt de enige wettelijke verankering aldus tot vóór vandaag misschien te zijn gelegen in het verklarend document betreffende de onmiddellijke inning, dat diende te worden overgemaakt naar de overtreder – in beginsel samen met het aanvankelijk proces-verbaal. Al lijkt het verdedigbaar dat een bijlage aan een Koninklijk Besluit geen bijkomende niet-reglementaire of zelfs onwettelijke verplichting kan toevoegen.

Bij Koninklijk Besluit van 10 februari 2018 (B.S. 22 februari 2018, blz. 14710) wordt dit verklarend document bovendien ook opgeheven, wegens achterhaald. Mijns inziens rijst dan ook eens te meer de vraag of een betaling van een boete zonder gestructureerde referentie ertoe kan leiden om de strafvordering te laten vervallen.

Wordt in de rechtspraak ongetwijfeld vervolgd….

Volledigheidshalve, ook het Ministerieel Besluit van 1 juli 2017 ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van de overtredingen inzake het wegverkeer wat de betaling met bank- of kredietkaart op het internet betreft, voorziet niet in de verplichting om bij betaling met een bankkaart of kredietkaart van het type Visa of Mastercard melding te maken van een gestructureerde referentie.

Lees hier meer over de voordelen van professionele bijstand bij inbreuken inzake wegverkeer.

1
Direct contact opnemen via WhatsApp!
Powered by