25.01.2022 – Ook behandeling van eenvoudige zaken dient binnen een redelijke termijn te gebeuren

In twee arresten van 25 januari 2022 (P.21.1621.N en P.21.1384.N, www.juportal.be) oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechter onaantastbaar oordeelt of de redelijke termijn waarbinnen volgens artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist over een ingestelde strafvordering is overschreden. Het Hof van Cassatie dient daarbij na te gaan of de rechter uit zijn vaststellingen aangaande het procedureverloop geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.

Parameters

Bij die beoordeling dient de Rechtbank rekening te houden met de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene.  De overschrijding wordt voor elke zaak afzonderlijk beoordeeld volgens de gegevens eigen aan de zaak. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.

Zeker ook in eenvoudige zaken…

Het Hof van Cassatie stelt thans ook uitdrukkelijk dat de redelijketermijnvereiste ook moet worden gerespecteerd in eenvoudige zaken. Uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal zijn bereikt dan in andere zaken. De met het onderzoek en berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden. Ook in zaken die niet noodzakelijk zullen leiden tot een zware veroordeling of een vrijheidsberoving moet de redelijketermijnvereiste worden nageleefd.

Daarbij wijst het Hof op het feit dat elke beklaagde alle wettelijke middelen kan aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, zoals het instellen van rechtsmiddelen. De uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de impact daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de procedure in haar geheel. Bij de beoordeling van die impact mag de rechter de termijnen die nodig zijn voor de afhandeling van de rechtsmiddelen betrekken. Hij moet daarbij evenwel ook rekening houden met de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals het eenvoudig karakter ervan.

Behandelingsduur van drie jaar is overdreven lang

In de zaak onder het A.R. Nr. P.21.1621.N oordeelde het Hof dat de beklaagde werd vervolgd in een relatief eenvoudige zaak waar het onderzoek was beperkt tot het opstellen van een aanvankelijk proces-verbaal en het afdrukken van een strafregisteruittreksel. Gegeven de “lange procesduur” (van drie en een half jaar), zelfs al is deze (mede) te verklaren is door het aanwenden van rechtsmiddelen (hoger beroep, cassatieberoep) en de tijd die nodig was om die rechtsmiddelen te behandelen, kon de Rechtbank na verwijzing volgens het Hof van Cassatie niet langer wettig oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet was overschreden.

In de zaak onder het A.R. Nr. P.21.1384.N kwam het Hof van Cassatie tot eenzelfde beoordeling met betrekking tot een procedure die voor het eerst in hoger beroep werd gewezen schier drie jaar na de begane (verkeers-)overtreding.

Nuttig voor u?

Contacteer mr. Bleyaert voor verder advies en/of bijstand!

Of stel meteen uw vraag via de chatapplicatie!