10.09.2026 – EHRM oordeelt over getuigenverhoor : de zaak Lacote t. België

Het recht op getuigenverhoor in strafzaken is een van de kernwaarborgen van een eerlijk proces. Toch betekent dit niet dat elk verzoek om een getuige te ondervragen automatisch moet worden ingewilligd. In het arrest Lacote t. België (EHRM, nr. 17596/23) van 10 september 2026 verduidelijkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wanneer het weigeren van een getuigenverhoor toch verenigbaar blijft met artikel 6 EVRM — en wanneer niet.

Wat ging er aan het arrest vooraf?

De zaak betreft een veroordeling wegens moord door het Hof van Assisen te Brugge. Na een eerdere verstekveroordeling in 2011 kwam er, na verzet, in 2020-2021 een nieuw assisenproces. Tijdens de voorbereidende zitting vroeg de verdediging om 29 getuigen te horen. De assisenvoorzitter stemde in met 20 getuigen, maar weigerde er negen, waaronder twee sleutelgetuigen — P.J. en J.M. — die hadden verklaard over financiële transacties die het beweerde motief van de moord vormden.

De verzoeker stelde voor het EHRM dat deze weigering zijn recht op ondervraging van getuigen (artikel 6 §§ 1 en 3 sub d EVRM) schond.

De juridische principes rond getuigenverhoor in strafzaken

Het basisprincipe: contradictoir debat over bezwarend bewijs

Het EHRM herinnert eraan dat, vooraleer een beschuldigde kan worden veroordeeld, alle belastende bewijselementen in beginsel op een openbare zitting moeten worden voorgelegd met het oog op een tegensprekelijk debat (§ 66). Uitzonderingen zijn mogelijk, maar de rechten van de verdediging moeten daarbij worden gerespecteerd: de beschuldigde moet een adequate en voldoende mogelijkheid krijgen om getuigenissen te betwisten en de getuigen te ondervragen (§ 66).

De driestappentoets voor afwezige getuigen

Bij twijfel over de toelaatbaarheid van verklaringen van niet-verschenen getuigen à charge, hanteert het EHRM een vaste driestappentoets, ontwikkeld in Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk en bevestigd in Schatschaschwili t. Duitsland (§ 68):

  1. Bestond er een gegronde reden voor de afwezigheid van de getuige en dus voor het toelaten van diens eerdere verklaring als bewijs? (§ 68, i)
  2. Vormde de verklaring van de afwezige getuige het enige of het doorslaggevende bewijs voor de veroordeling? (§ 68, ii)
  3. Waren er voldoende compenserende factoren, zoals stevige procedurele waarborgen, om de nadelen voor de verdediging te neutraliseren? (§ 68, iii)

Belangrijk: het ontbreken van een gegronde reden voor niet-verschijning maakt een proces niet automatisch oneerlijk, maar weegt wel zwaar door in de globale billijkheidstoets (§ 69). Bovendien geldt: hoe zwaarder het gewicht van de betwiste getuigenverklaring, hoe steviger de compenserende waarborgen moeten zijn (§ 70).

Beoordeling van het proces in zijn geheel

Het EHRM benadrukt dat de billijkheid van een strafproces met getuigenverhoor niet geïsoleerd wordt beoordeeld, maar over de volledige procedure heen — van opsporingsonderzoek tot eindvonnis (§ 65 en § 77).

Toepassing op de zaak Lacote: waarom geen schending?

Het EHRM oordeelde (5 stemmen tegen 2) dat er geen schending was van het recht op ondervraging van getuigen:

  • Reden voor afwezigheid: De voorzitter motiveerde de weigering enkel via een wettelijke standaardformule, zonder concrete reden te geven (§ 72-73) — een gemiste kans, maar niet doorslaggevend.
  • Bewijsgewicht: De verklaringen van de geweigerde getuigen waren niet het enige of doorslaggevende bewijs. De veroordeling steunde op een geheel van concordante bewijzen: telefoondata, zendmastgegevens, de aankoop van een vuurwapen op de dag van de feiten, en teruggevonden bezittingen van het slachtoffer (§ 75).
  • Compenserende factoren: De beschuldigde kreeg tijdens het opsporingsonderzoek en het proces meerdere kansen om zich te verdedigen, twintig van de negenentwintig gevraagde getuigen werden wél gehoord, en het assisenarrest was uitvoerig gemotiveerd (§ 79-84).

De afwijkende mening

Twee rechters waren het hier niet mee eens. Zij meenden dat de geweigerde getuigen rechtstreeks belang hadden voor het vaststellen van het motief, en dat aan de eerste voorwaarde van de driestappentoets — een gegronde reden voor afwezigheid — niet was voldaan.

Advocaat Bart Bleyaert
Advocaat Bleyaert
📩 Neem contact op
Scroll naar boven
1