De rechtbank van eerste aanleg te Gent velde op 11 september 2026 een opmerkelijk vonnis. De Belgische Staat wordt veroordeeld om de bezettingsgraad van de gevangenis van Gent terug te brengen tot maximaal 110% van de reële capaciteit. Het vonnis is een juridisch mijlpaal in de jarenlange strijd tegen overbevolking in Belgische gevangenissen, en roept fundamentele vragen op over de rechten van gedetineerden en de verantwoordelijkheid van de overheid.
Wie sleepte wie voor de rechter, en waarom?
De eiseres in deze zaak is de Orde van Vlaamse Balies (OVB), de koepelorganisatie van de Vlaamse advocatenordes. De OVB trad op in het collectieve belang van iedereen die door een rechterlijke beslissing van zijn vrijheid wordt beroofd en terechtkomt in de gevangenis van Gent. Zij richtte haar pijlen op de Belgische Staat – met name de minister van Justitie – die zij verantwoordelijk acht voor de aanhoudende overbevolkingscrisis.
Aanleiding voor de procedure was het jaarverslag 2025 van de Commissie van Toezicht Gent, dat een bezettingsgraad van bijna 200% documenteerde. Dat betekent dat er in de gevangenis van Gent in de praktijk zo’n twee keer zoveel gedetineerden verblijven als waarvoor de inrichting is ontworpen. Grondslapen – letterlijk op de vloer slapen bij gebrek aan een cel of bed – zijn daarbij geen uitzondering.
Wat besliste de rechtbank?
De rechtbank stelt vast dat de detentieomstandigheden in de gevangenis van Gent een vernederende behandeling vormen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat artikel verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandeling in absolute termen – er zijn geen uitzonderingen mogelijk.
De rechtbank veroordeelt de Belgische Staat om de effectieve bezetting van de gevangenis van Gent terug te brengen tot maximaal 110% van de reële capaciteit, zijnde 262 plaatsen. Concreet betekent dit dat er maximaal 288 gedetineerden tegelijk in de gevangenis van Gent mogen verblijven. De Staat krijgt hiervoor zes maanden de tijd. Wie de termijn overschrijdt, riskeert een dwangsom per dag dat de norm niet wordt gehaald.
Opvallend: de rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding is om het vonnis te publiceren in het Belgisch Staatsblad of het te sturen naar alle correctionele magistraten. Dat zou impliceren dat de oplossing in de eerste plaats bij de rechterlijke macht ligt, terwijl de verantwoordelijkheid voor het gevangeniswezen bij de uitvoerende macht berust.
Waarom werd 110% capaciteit aanvaard – en niet 100%?
Dit is wellicht de meest gestelde vraag bij dit vonnis. De rechtbank legt op tot 110% – niet tot 100% – van de reële capaciteit. Dat vraagt om een toelichting.
Ten eerste heeft de OVB zelf in haar vordering uitdrukkelijk gevraagd om de bezetting te beperken tot 110%. Dat is de eis waarover de rechtbank uitspraak deed. De rechtbank gaat niet verder dan wat gevorderd werd.
Ten tweede erkent de rechtbank dat een bezettingsgraad van 100% in de praktijk nooit volledig kan worden gegarandeerd, gezien de voortdurende instroom van gedetineerden via rechterlijke beslissingen, overplaatsingen en invrijheidsstellingen. Een lichte marge van 10% boven de officiële capaciteit wordt in de rechtspraktijk aanvaard als een werkbare bovengrens, mits de detentieomstandigheden binnen die marge nog steeds menswaardige normen respecteren.
Ten derde laat de rechtbank de keuze van de concrete maatregelen bewust aan de overheid over. Hoe de Staat de norm haalt – via uitbreiding van capaciteit, vervroegde invrijheidstelling, elektronisch toezicht, intergevangenistransfers of andere maatregelen – bepaalt de rechter niet. De rechtbank schrijft het resultaat voor, niet de weg ernaartoe. Een marge van 10% geeft de overheid beleidsruimte om dat resultaat haalbaar te maken.
Wat de rechtbank wel duidelijk stelt: de grens van 110% is absoluut. Een bezettingsgraad van 200% – zoals nu het geval is – is in strijd met het EVRM, ongeacht budgettaire beperkingen of infrastructurele moeilijkheden.
Waarom slaagde de Belgische Staat er niet in om de vordering af te weren?
De Belgische Staat probeerde de vordering te counteren met drie argumenten:
- De inspanningen die al worden geleverd: de Noodwet van 18 juli 2025 en andere initiatieven zijn genomen om de overbevolking aan te pakken.
- De complexiteit van het probleem: een oplossing vergt politiek overleg, maatschappelijke acceptatie en praktische implementatie.
- De marge voor de rechterlijke macht: rechters moeten vrij kunnen blijven om effectieve gevangenisstraffen op te leggen.
De rechtbank verwierp al deze argumenten. Doorslaggevend was dat de overbevolking in de gevangenis van Gent al jarenlang gedocumenteerd is door toezichtsorganen, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en nationale en internationale mensenrechteninstanties. Het is geen recente of onvoorziene situatie – het is een structureel en persistent probleem. De Noodwet van 2025 heeft de doelstellingen niet gerealiseerd. Dat de Belgische Staat “haar best doet“, is juridisch niet voldoende wanneer het resultaat de minimumnormen van artikel 3 EVRM niet haalt. Het EHRM heeft herhaaldelijk geoordeeld dat een staat zich niet kan beroepen op budgettaire of organisatorische moeilijkheden om een schending van een absoluut verdragsartikel te rechtvaardigen.
Welke gevolgen heeft dit vonnis?
Voor de Belgische Staat
De overheid moet binnen zes maanden maatregelen nemen die ervoor zorgen dat de gevangenis van Gent maximaal 288 gedetineerden telt. Mogelijke pistes zijn onder meer:
- Capaciteitsuitbreiding via nieuwe of tijdelijke gevangenisinfrastructuur;
- Versnelde toepassing van alternatieve straffen, zoals elektronisch toezicht of beperkte detentie;
- Vervroegde invrijheidstelling voor gedetineerden die daarvoor in aanmerking komen;
- Overplaatsing van gedetineerden naar andere, minder drukbezette inrichtingen;
- Wijziging van het strafrechtelijk beleid of de vervolgingspraktijk.
De keuze is aan de overheid, maar de deadline is strikt. De rechtbank verwacht “voldoende prioritaire, doortastende en gecoördineerde maatregelen waarvan de uitvoering en de uitwerking met uiterste nauwgezetheid wordt opgevolgd“. Bij niet-naleving riskeert de Staat een dwangsom per dag overschrijding – een drukkingsmiddel waarmee de rechtbank de uitvoering van haar vonnis tracht te waarborgen.
Voor de rechterlijke macht
De rechtbank benadrukt expliciet dat zij geen aanwijzingen geeft aan correctionele rechters over hun straftoemeting. Het vonnis wijst de verantwoordelijkheid toe aan de uitvoerende en wetgevende macht. Rechters blijven vrij om gevangenisstraffen op te leggen wanneer zij dat noodzakelijk achten.
Precedentwerking
Dit vonnis heeft een potentieel grote precedentwerking. Andere gevangenissen in België kennen vergelijkbare bezettingsgraden. Gedetineerden of organisaties die hun belangen behartigen, kunnen zich op dit vonnis beroepen om gelijkaardige acties te voeren voor andere inrichtingen. Het vonnis bevestigt ook dat de OVB rechtstreeks kan optreden namens gedetineerden als collectieve groep.
Wat betekent dit voor een gedetineerde?
Voor wie op dit moment in de gevangenis van Gent verblijft, is dit vonnis potentieel heel betekenisvol – ook al verandert er vandaag in de praktijk nog niets.
Op korte termijn blijven de omstandigheden hetzelfde. Het vonnis geeft de overheid zes maanden om te remediëren. In die periode blijft de overbevolking mogelijks bestaan.
Op middellange termijn kunnen gedetineerden echter profiteren van de maatregelen die de Staat neemt om het vonnis na te leven. Wie in aanmerking komt voor elektronisch toezicht, vervroegde invrijheidstelling of beperkte detentie, heeft wellicht meer kans om snel te worden doorverwezen naar een minder beperkende vorm van strafuitvoering.
Op juridisch vlak opent het vonnis bijkomende deuren. Artikel 3 EVRM is een absoluut recht. Een gedetineerde die kan aantonen dat hij persoonlijk schade heeft geleden door de onmenselijke detentieomstandigheden – denk aan gezondheidsklachten, psychisch lijden, of verergering van een bestaande aandoening door de overbevolking – kan op grond van dit vonnis een individuele schadeclaim indienen tegen de Belgische Staat.
Bovendien versterkt het vonnis de positie van gedetineerden die in strafuitvoeringsrechtbanken of via andere rechtswegen aanvoeren dat hun detentieomstandigheden in strijd zijn met hun fundamentele rechten. Een rechtbank die heeft vastgesteld dat artikel 3 EVRM structureel wordt geschonden in de gevangenis van Gent, geeft daarmee een krachtig signaal aan alle rechters die over gedetineerden in die inrichting moeten oordelen.
Conclusie
De uitspraak van de rechtbank van Gent van 11 september 2026 is meer dan een lokale beslissing over de gevangenis van Gent. Het is een fundamentele vaststelling dat de Belgische Staat al jarenlang tekortschiet in zijn verplichting om gedetineerden een menswaardige opsluiting te garanderen, en dat dit tekort niet langer kan worden weggeargumenteerd met verwijzingen naar budgettaire krapte of beleidscomplexiteit.
De rechtbank laat de overheid de beleidsvrijheid om zelf de weg te kiezen naar de opgelegde norm. Maar het vonnis is duidelijk: de weg moet worden afgelegd, en wel binnen zes maanden. De dwangsom, tot maximaal 45 miljoen euro, fungeert daarbij als stok achter de deur.
Voor gedetineerden in Gent – en bij uitbreiding in heel België – is dit vonnis een bevestiging van iets wat lang evident had moeten zijn: een vrijheidsberovende straf betekent verlies van bewegingsvrijheid, maar niet verlies van menselijke waardigheid.
Heeft u vragen over uw rechten als gedetineerde, over een strafprocedure of over de uitvoering van een straf? Contacteer ons voor een vrijblijvend gesprek.