23.09.2026 – Gevangenisstraf als laatste middel: het Hof van Cassatie benadrukt de motiveringsplicht van de strafrechter

Een rechter die een effectieve gevangenisstraf oplegt, moet in bepaalde zaken uitleggen waarom een andere straf niet volstaat. Dat is geen formaliteit. In een arrest van 23 september 2026 verduidelijkt het Hof van Cassatie wanneer die motiveringsplicht geldt en wat uit de beslissing van de rechter moet blijken.

Niet de minimumstraf, maar de maximumstraf is bepalend

Artikel 7, § 3, tweede lid, van het vroegere Strafwetboek heeft betrekking op feiten die strafbaar zijn met een gevangenisstraf van meer dan zes maanden tot drie jaar. Volgens het Hof van Cassatie gaat het daarbij om feiten waarvoor de wettelijk bepaalde maximumstraf hoger is dan zes maanden en niet hoger dan drie jaar. De wettelijk bepaalde minimumstraf doet daar niet aan af.

In de zaak waarover het Hof oordeelde, waren de feiten strafbaar met een gevangenisstraf van vier maanden tot twee jaar. Dat de minimumstraf slechts vier maanden bedroeg, betekende dus niet dat de motiveringsplicht buiten toepassing bleef.

Wat moet de rechter onderzoeken vóór hij een effectieve gevangenisstraf oplegt?

Binnen deze categorie van feiten moet de rechter nagaan of een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf mogelijk is. Daarbij moet hij rekening houden met de wettelijke toepassingsvoorwaarden van die straffen.

Legt de rechter toch een effectieve gevangenisstraf op, dan moet uit zijn beslissing blijken:

  • of de wettelijke voorwaarden voor die andere straffen vervuld zijn; en
  • als een andere straf wettelijk mogelijk is, waarom die straf niet volstaat om de doelstellingen van de straf te bereiken.

De rechter hoeft dus niet automatisch een alternatieve straf op te leggen. Maar hij mag evenmin zonder toereikende uitleg aan die mogelijkheid voorbijgaan. Voor deze feiten is een effectieve gevangenisstraf, in de woorden van het Hof, een ultimum remedium: een laatste middel wanneer de andere straffen niet mogelijk of niet toereikend zijn.

Een effectieve gevangenisstraf kan slechts worden opgelegd als alle andere straffen de doelstellingen van de bestraffing niet bereiken.

Waarom de motivering ertoe doet

In deze zaak had het hof van beroep een effectieve gevangenisstraf van twee jaar opgelegd. Het oordeelde dat artikel 7, § 3, tweede lid, niet van toepassing was. Daardoor stelde het niet vast dat de wettelijke voorwaarden voor de andere straffen ontbraken, en legde het evenmin uit waarom die straffen de doelstellingen van de bestraffing niet konden bereiken.

Het Hof van Cassatie vernietigde daarom de beslissingen over de opgelegde straffen. De schuldigverklaring bleef wel overeind. Een andere samenstelling van het hof van beroep moet zich opnieuw over de bestraffing uitspreken.

Dit arrest onderstreept het belang van een zorgvuldig gemotiveerde strafbeslissing. Voor wie met een gevangenisstraf wordt geconfronteerd, maakt die motivering inzichtelijk waarom de rechter vrijheidsbeneming noodzakelijk acht. Zij maakt ook toetsbaar of de rechter de wettelijk voorziene andere straffen daadwerkelijk in overweging heeft genomen.

Hof van Cassatie 23 september 2026, P.26.0761.F.

Advocaat Bart Bleyaert
Advocaat Bleyaert
📩 Neem contact op
Scroll naar boven
1