Slachtoffer van phishing? Wanneer uw bank eerst moet terugbetalen

Bent u slachtoffer van phishing en weigert uw bank de terugbetaling omdat u zelf nalatig zou zijn geweest? Twee uitspraken van oktober 2026 trekken die redenering onderuit, althans wanneer niet u maar de fraudeur de betaling heeft uitgevoerd. De regel is dan: eerst terugbetalen, en pas daarna discussiëren over wie de schade uiteindelijk draagt.

Op 9 oktober 2026 veroordeelde de ondernemingsrechtbank Antwerpen, zetelend in kort geding, Argenta tot onmiddellijke terugbetaling van 46.857,10 euro aan een koppel dat slachtoffer was geworden van bankhelpdeskfraude. Zes dagen later bevestigde het Hof van Justitie van de Europese Unie dezelfde lijn voor de hele Unie: een vermoeden van grove nalatigheid is geen geldige reden om die terugbetaling uit te stellen.

De regel geldt niet alleen voor Argenta. Elke Belgische bank is betalingsdienstaanbieder in de zin van het Wetboek van economisch recht.

Wat er was gebeurd

Op 29 april 2026 werd een koppel van 88 jaar opgebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van Card Stop, en daarna door iemand die zich voordeed als helpdeskmedewerker van hun bank. Op 29 en 30 april verdween in totaal 61.822,10 euro van hun rekeningen.

Nog dezelfde dag meldden zij de feiten aan de bank, lieten zij hun kaarten blokkeren en deden zij aangifte bij de politie. Op 20 mei 2026 volgde een ingebrekestelling, op 12 juni een aangetekende aanmaning. De bank betaalde niet terug. Eind augustus dagvaardden zij de bank in kort geding.

Het ging om hun volledige liquide spaargeld. Hun gezamenlijk pensioen bedroeg ongeveer 2.600 euro per maand. Begin september stond op hun drie rekeningen bij de bank samen nog 1.992,41 euro. Om opnieuw over een reserve te beschikken, moesten zij een effectenportefeuille verkopen tegen gedaalde koersen.

De rechtbank onderscheidde twee groepen verrichtingen. Elf betalingen, samen 46.857,10 euro, zouden zijn geauthentiseerd met een debetkaart, een kaartlezer en geheime codes. Drie andere, samen 14.835 euro, zouden zijn bevestigd met Itsme. Dat onderscheid besliste de zaak.

De kernvraag: wie heeft de betaling uitgevoerd?

Artikel VII.43 van het Wetboek van economisch recht verplicht de bank om bij een niet-toegestane betalingstransactie het bedrag onmiddellijk terug te betalen, uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag nadat zij de transactie heeft vastgesteld of ervan in kennis is gesteld. De rekening moet worden hersteld alsof de betaling niet heeft plaatsgevonden, met als valutadatum de dag van de oorspronkelijke debitering.

Die plicht geldt alleen als de betaling niet-toegestaan is. Een betaling is toegestaan wanneer de rekeninghouder heeft ingestemd met de uitvoering van de betalingsopdracht, ook al is die instemming door bedrog verkregen.

Daaruit volgt een onderscheid dat voor elk phishingdossier beslissend is.

Wanneer een derde, met ontfutselde codes of inloggegevens, zelf de overschrijving uitvoert, is de betaling in beginsel niet-toegestaan. U hebt dan geen opdracht gegeven om een bepaald bedrag naar een bepaalde rekening over te maken. U hebt gegevens prijsgegeven waarmee iemand anders dat kon doen. Dat u op een link klikte of een code telefonisch doorgaf, maakt de betaling nog niet toegestaan.

Wanneer u daarentegen zelf de betalingsopdracht bevestigt, bijvoorbeeld in uw bankapp of via Itsme, is de betaling juridisch toegestaan. Dat geldt ook als u dacht dat u geld naar een veilige kluisrekening van de bank overmaakte, of dat u een frauduleuze verrichting aan het annuleren was. De rechtbank volgt op dat punt de heersende rechtsleer en de praktijk van Ombudsfin: wie zelf het bedrag en de bestemming bevestigt, stemt toe, ook al dwaalt hij over de identiteit van de begunstigde.

Authenticatie alleen bewijst die instemming niet. Artikel VII.42 WER legt de bewijslast bij de bank. Dat een kaart of code is gebruikt, volstaat op zich niet om aan te tonen dat u de betaling hebt toegestaan.

Wat de rechtbank met de twee groepen deed

Voor de elf verrichtingen met kaart, kaartlezer en codes oordeelde de rechtbank dat het prima facie de fraudeur was die de opdracht gaf, zonder instemming van de rekeninghouders. Artikel VII.43 was dus van toepassing. Argenta moest 46.857,10 euro terugbetalen door creditering van de rekening, met valutadatum 29 respectievelijk 30 april 2026.

Twee argumenten van de bank veranderden daar niets aan. Sms-berichten die waarschuwen om een responscode niet te delen, doen niet af aan het niet-toegestane karakter van de betaling. Die berichten kunnen pas later meespelen, in de discussie over de definitieve aansprakelijkheid. Ook de installatie van software voor toegang op afstand (AnyDesk) bewees niet dat de rekeninghouders alles op hun scherm hadden gevolgd, en evenmin dat die software effectief was gebruikt bij de overschrijvingen.

Voor de drie Itsme-verrichtingen was de uitkomst anders. Mevrouw had op instructie van de fraudeur zelf een Itsme-account op haar eigen telefoon geïnstalleerd. Een Itsme-account is maar op één toestel actief, zodat het niet aannemelijk was dat de fraudeur de verrichtingen vanaf zijn eigen apparaat had gevalideerd. De rekeninghouders hadden zelf drie opdrachten bevestigd. Zij wilden overschrijven, maar dwaalden over de bestemmeling. Dat is, zoals bij factuurfraude of kluisfraude, een toegestane betaling. Artikel VII.43 gold daar niet. Die 14.835 euro werd niet terugbetaald.

Een afzonderlijke intrestvordering werd afgewezen. Wie de rekening herstelt met de oorspronkelijke valutadatum, plaatst de klant in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd zonder de fraude. Een extra intrest daar bovenop heeft dan geen voorwerp.

Waarom een kort geding hier op zijn plaats was

Kort geding vergt hoogdringendheid. De rechtbank oordeelde dat een vordering tot voorlopig herstel op grond van artikel VII.43 uit haar aard dringend is. De wetgever ging ervan uit dat het uitblijven van een onmiddellijke terugbetaling ernstige ongemakken veroorzaakt, en wilde vermijden dat slachtoffers maanden of jaren op hun geld wachten terwijl over aansprakelijkheid wordt geprocedeerd. De terugbetalingsplicht legt het procesrisico bewust bij de bank, niet bij de klant.

In dit dossier was de hoogdringendheid ook concreet aangetoond: een pensioen van 2.600 euro, nagenoeg geen liquide reserve meer, en geen realistisch vooruitzicht om op 88-jarige leeftijd meer dan 60.000 euro opnieuw op te bouwen. De bank vroeg het bewijs dat de klanten nergens anders nog spaargeld hadden. Dat negatieve bewijs mocht volgens de rechtbank niet van hen worden verlangd.

Ook het verwijt dat zij hadden getalmd, hield geen stand. Tussen de fraude eind april en de dagvaarding eind augustus zaten een onmiddellijke melding, een politieklacht, een ingebrekestelling en een aangetekende aanmaning. De bank antwoordde nauwelijks, en een e-mail van 3 augustus bleek aan hun zoon te zijn gestuurd, op een adres dat niet zijn gebruikelijke was. Voor mensen van 88 die voor het eerst hun eigen bank moesten dagvaarden, tijdens de vakantieperiode, was dat tijdsverloop niet onredelijk.

Dat betekent niet dat u onbeperkt kunt wachten. Wie de dringendheid zelf uitlokt door niets te doen, kan die later niet meer inroepen. Meld de feiten meteen, bewaar elk spoor, en zet de bank schriftelijk in gebreke. Een korte periode van correspondentie maakt een kort geding niet onmogelijk.

De maatregel is voorlopig. De rechtbank doet geen uitspraak ten gronde over wie het verlies definitief draagt. De bank kan die discussie nog voeren. Zij mag ze alleen niet gebruiken om de eerste terugbetaling tegen te houden.

Drie verweren die de terugbetaling niet mochten blokkeren

De bank beriep zich op schuldvergelijking. Als zij moest terugbetalen, zou zij volgens haar algemene voorwaarden die schuld mogen verrekenen met een eigen vordering op de klant, namelijk de vordering die zij later zou hebben als grove nalatigheid kwam vast te staan. De rechtbank veegde dat weg. Zo’n verrekening zou artikel VII.43 bijna altijd uitschakelen, want de bank zou dan vrijwel steeds een voorwaardelijke tegenvordering kunnen inroepen. Bepalingen in algemene voorwaarden die de wettelijke terugbetalingsplicht uitsluiten of afzwakken, zijn strijdig met de wet. Wil de bank het geld terugeisen, dan moet zij dat ten gronde vragen op grond van artikel VII.44 WER. Tot dan mag zij haar verplichting niet opschorten.

Ook een kantonnement, waarbij de klant zekerheid zou moeten stellen vooraleer de terugbetaling uitvoerbaar wordt, werd geweigerd. Dat zou de onmiddellijke terugbetaling omzeilen. De uitvoerbaarheid bij voorraad volgt overigens al uit artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek.

Tot slot moest de zaak niet worden aangehouden tot er duidelijkheid was over de strafprocedure. De bank had zelf niets kunnen recupereren. Dat de klanten dat via hun klacht wél zouden kunnen, was niet aannemelijk. Wat eventueel nog van de fraudeur wordt teruggehaald, hoort thuis in het debat ten gronde.

De bank werd veroordeeld in de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 4.709,30 euro.

De verwijzing is: ondernemingsrechtbank Antwerpen (afdeling Antwerpen) 9 oktober 2026, ECLI:BE:ORANT:2026:ORD.20261009.1, rolnummer C/26/00073.

Zes dagen later bevestigde het Europees Hof de lijn

Op 15 oktober 2026 heeft het Hof van Justitie de onderliggende Europese regel uitgelegd in de zaak Tukowiecka, C-70/25, ECLI:EU:C:2026:852. Het arrest is gezagshebbend voor elke Belgische rechter die het Wetboek van economisch recht toepast, want artikel VII.43 zet artikel 73 van de tweede betaaldienstenrichtlijn (PSD2) om.

De feiten lijken op wat veel Belgische slachtoffers overkomt. Een Poolse rekeninghoudster wilde iets verkopen via een onlineplatform. Een zogezegde koper stuurde een link naar een nagemaakte bankwebsite. Zij vulde daar haar inloggegevens in. De fraudeur maakte met die gegevens ongeveer 700 euro over en bevestigde de verrichting met een sms-code die hij haar eveneens had ontfutseld. Zij meldde de fraude de volgende dag. De bank weigerde terug te betalen: zij zou grof nalatig zijn geweest door haar beveiligingsgegevens niet veilig te bewaren.

Het Hof zegt dat dit geen geldige weigering is. Artikel 73 PSD2 kent maar één uitzondering op de onmiddellijke terugbetaling: de bank heeft redelijke gronden om te vermoeden dat de klant zelf fraude pleegt, en deelt die gronden schriftelijk mee aan de bevoegde nationale autoriteit. In België is dat de FOD Economie. Een vermoeden van grove nalatigheid is die uitzondering niet.

Grove nalatigheid verdwijnt niet uit de wet. Artikel 74 PSD2, in België artikel VII.44 WER, regelt wie het verlies uiteindelijk draagt. Dat is een latere stap. De bank moet eerst terugbetalen. Meent zij dat u opzettelijk of door grove nalatigheid uw beveiligingsverplichtingen hebt geschonden, dan moet zij dat zelf bewijzen en het bedrag nadien terugvorderen. Het Hof volgt daarmee de conclusie van advocaat-generaal Rantos van 5 maart 2026. Het zou de terugbetalingsplicht zinloos maken als de bank ze kon omzeilen door nalatigheid te stellen, en de klant vervolgens zelf naar de rechter te sturen.

De Antwerpse beschikking kon dit arrest nog niet citeren. Zij past dezelfde volgorde toe, en voegt eraan toe dat ook schuldvergelijking en kantonnement die volgorde niet mogen doorbreken. Samen gelezen is de boodschap aan banken moeilijk te omzeilen: bij een niet-toegestane betaling eerst het saldo herstellen, en de discussie over schuld daarna voeren, met de bewijslast bij de bank.

Febelfin heeft na het arrest laten weten dat de banken zich zullen richten naar deze lezing. Tot nog toe bestond daarover geen eenduidige interpretatie, en weigerden banken de terugbetaling vaak tot zij zelf hadden nagegaan of er grove nalatigheid in het spel was.

Er komt wel een nieuw Europees kader, de Payment Services Regulation. Daarin zouden banken volgens Febelfin een termijn van 15 werkdagen krijgen om over de terugbetaling te beslissen, ook bij een vermoeden van grove nalatigheid. Die verordening is nog niet van kracht. Zolang de huidige regels gelden, is de lezing van het Hof de leidende.

Het arrest geldt niet voor betalingen die u zelf hebt toegestaan. Wie, misleid, zelf een overschrijving intoetst en bevestigt, kan zich niet op deze terugbetalingsplicht beroepen. Dat is precies de grens die ook de Antwerpse rechtbank heeft getrokken bij de Itsme-verrichtingen.

Wat u concreet kunt doen

Meld de fraude zonder uitstel aan uw bank, blokkeer uw kaarten via Card Stop, en doe aangifte bij de politie. Noteer uur, nummer en naam die de beller gebruikte. Bewaar sms’en, e-mails, schermafbeeldingen van Itsme en elk WhatsApp-gesprek met de fraudeur. In het Antwerpse dossier vroeg de bank zelf om die stukken. Zij kunnen later beslissend zijn voor de vraag of u, dan wel een derde, de opdracht hebt gegeven.

Vraag de terugbetaling schriftelijk, met verwijzing naar artikel VII.43 WER en naar het arrest van 15 oktober 2026. Zet een korte termijn. Vraag meteen of de bank meent dat u zelf fraude hebt gepleegd, en of zij dat schriftelijk aan de FOD Economie heeft meegedeeld. Is dat niet gebeurd, dan is de enige wettelijke uitzondering op de onmiddellijke terugbetaling niet ingeroepen.

Kijk eerlijk naar wat u zelf hebt gedaan. Heeft een derde de overschrijving uitgevoerd met codes of inloggegevens die u werden ontfutseld, dan staat u sterk. Hebt u in Itsme of in de bankapp zelf een bedrag en een rekeningnummer bevestigd, dan ligt dat anders, ook al was u in paniek en dacht u de bank te helpen. Een advocaat kan dat onderscheid alleen maken als de schermen en de transactielijst er zijn.

Reageert de bank niet, of wijst zij alleen op nalatigheid, dan is een kort geding een reële piste. De vordering is naar haar aard dringend, de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, en de bank kan de uitvoering niet tegenhouden met een verrekening of een kantonnement. De terugbetaling blijft voorlopig: de bank kan ten gronde nog proberen aan te tonen dat u het verlies definitief moet dragen.

Wat deze uitspraken niet beloven

Zij maken van de bank geen verzekeraar tegen elke oplichting. Factuurfraude, kluisfraude en andere vormen waarbij u zelf de overschrijving bevestigt, vallen buiten artikel VII.43. Ook een geslaagde terugbetaling is geen eindpunt. De bank mag nadien nog oordelen dat er grove nalatigheid was, en dat bedrag terugvorderen als zij dat bewijst. Wat het Hof en de Antwerpse rechtbank verbieden, is dat de bank die discussie gebruikt om u intussen zonder geld te laten zitten.

Elk dossier hangt af van de verrichtingen zelf: wie de opdracht heeft ingegeven, hoe er werd geauthentiseerd, en wanneer u de bank hebt verwittigd. Een uitspraak in kort geding bindt de bodemrechter niet definitief.

Heeft uw bank de terugbetaling geweigerd of op de lange baan geschoven, dan kunnen wij op basis van de transactielijst en uw melding beoordelen of de betalingen niet-toegestaan zijn en of een vordering op grond van artikel VII.43 zinvol is. Die beoordeling is een analyse van uw dossier, geen garantie op terugbetaling.

Deze tekst is algemene informatie over gepubliceerde rechtspraak, geen advies voor uw persoonlijke situatie.

Veelgestelde vragen

Moet mijn bank elke phishing terugbetalen?
Nee. Alleen niet-toegestane betalingen vallen onder de onmiddellijke terugbetalingsplicht. Heeft een derde de overschrijving uitgevoerd met ontfutselde gegevens, dan in beginsel wel. Hebt u de opdracht zelf bevestigd, dan doorgaans niet.

De bank zegt dat ik grof nalatig was. Krijg ik dan niets?
Bij een niet-toegestane betaling mag de bank de terugbetaling niet weigeren op die grond. Zij moet eerst terugbetalen. Pas daarna kan zij proberen te bewijzen dat u het verlies definitief moet dragen.

Ik heb zelf op bevestigen gedrukt in Itsme. Geldt de regel dan ook?
In de Antwerpse zaak niet. Drie verrichtingen die de rekeninghoudster zelf via Itsme bevestigde, werden als toegestaan beschouwd. Artikel VII.43 werd daar niet toegepast.

Hoe snel moet de bank terugbetalen?
Onmiddellijk, en uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag nadat zij de transactie heeft vastgesteld of u haar hebt verwittigd. De enige uitzondering is een schriftelijk gemeld vermoeden dat u zelf fraude pleegt.

Ik heb enkele maanden gewacht op een antwoord van de bank. Is een kort geding dan uitgesloten?
Niet automatisch. In deze zaak werd vier maanden aanvaard, omdat de klanten meteen hadden gemeld, klacht hadden gedaan en de bank in gebreke hadden gesteld. Volledig stilzitten kan u wel worden tegengeworpen.

Kan de bank de terugbetaling verrekenen met een andere vordering?
Niet om artikel VII.43 te neutraliseren. De Antwerpse rechtbank noemde schuldvergelijking en kantonnement onverenigbaar met die dwingende bescherming.

Is het terugbetaalde bedrag definitief van mij?
Niet noodzakelijk. De terugbetaling is voorlopig. De bank kan later nog een procedure ten gronde voeren over grove nalatigheid. Tot dan moet uw rekening zijn hersteld.

Advocaat Bart Bleyaert
Advocaat Bleyaert
📩 Neem contact op
Scroll naar boven
1